Graafschap Holland

Eind 9e eeuw verschijnen er voor het eerst enkele namen in documenten waarin sprake is van graven van (West-)Frisia. De oudstbekende naam is Gerulf, die rond het jaar 885 comes Fresonum (‘graaf van de Friezen’) werd en daarom wel wordt gezien als de stamvader van de dynastie der Gerulfingen.
Het gebied van de graven bestond aanvankelijk uit niet meer dan twee losse West-Friese gebieden (Kennemerland en Rijnland). Omstreeks 1018 voegde Dirk III daaraan toe Neder-Maasland, een grotendeels uit moerassige en zilte gronden bestaand gebied waar de Maas en Merwede Samenvloeien. Deze uitbreiding ging ten koste van het bisdom Utrecht.
Het graafschap behoorde staatkundig gezien vanaf 962 bij het Heilige Roomse Rijk en viel daarbinnen onder het Hertogdom Neder-Lotharingen.
Als zodanig waren de graven van West-Frisia leenmannen van de Rooms-Duitse koningen en keizers, met de Neder-Lotharingse hertog als een soort tussenpersoon met militaire en juridische taken zoals verdediging van de grens met West-Francië, later Frankrijk. In de loop van de tijd is de zuidelijke begrenzing van Frisia geleidelijk naar het noorden opgeschoven.
Op het eind van de elfde eeuw veranderde de naam van het graafschap. In het jaar 1101 liet graaf Floris II zich voor het eerst formeel “comes de Hollant” (graaf van Holland) noemen. Er zijn aanwijzingen dat die naam toen al enkele decennia in gebruik was. Het noordoostelijke deel van het graafschap, waar de graven van oudsher weinig feitelijke macht hadden, behield de naam West-Friesland.
De Gerulfingen waren de familie van de eerste graven van West Frisia en Holland en Zeeland. De naamgever was Gerulf I. Deze dynastie staat ook bekend als het Hollandse Huis en eindigde met de dood van Jan I van Holland in 1299.
Floris II “De Vette” van Holland
(ca. 1084 – 2 maart 1121), Graaf van Holland. Floris werd rond 1084 geboren als de oudste zoon van graaf Dirk V en gravin Othilde. Floris II was de eerste Friese graaf die in teksten ‘graaf van Holland’ genoemd werd (“Florentius comes de Hollant”).

Dit was in een oorkonde van bisschop Burchard van Lechsgemünd van Utrecht, geproduceerd in het jaar 1101. Geschiedschrijvers laten daarom vaak bij Floris II het graafschap Holland beginnen en de periode van West-Frisia eindigen.
Niet lang voor 1108 trouwde Floris II met Petronilla van Lotharingen (+1144) uit het huis van de Elzas, dochter van Diederik II van Lotharingen, de hertog van Opper-Lotharingen en een halfzus van de Rooms-Duitse koning en keizer Lotharius III van Supplinburg (1075–1137).
Door de ontginning van de veengebieden langs de grote rivieren Rijn, Merwede, Lek en Maas en de opbrengsten daarvan verwierf Floris veel inkomsten. Ook door tolheffing met name bij Vlaardingen / Geervliet in de Maasmond waren zijn inkomsten voor die tijd erg hoog. Hij staat in de bronnen bekend als zeer rijk. Hij gaf waarschijnlijk ook niet veel uit, want van hem en uit zijn tijd zijn geen oorlogshandelingen bekend. Onder Floris’ bewind zouden diverse houten kerken zijn vervangen door kerken van tufsteen, maar daar zijn tegenwoordig de nodige twijfels over.
Floris II overleed in 1121 en is begraven in de abdij van Egmond. Ondanks dat zijn oudste zoon Dirk toen 13 jaar oud was, en juridisch volwassen, is gravin Petronilla nog tot 1131 regent voor haar zoon geweest.

Dirk VI van Holland
(circa 1114 – Utrecht, 5 augustus 1157). Zoon van Floris II van Holland en Petronella van Lotharingen.
Hij was graaf van Holland vanaf 1122, aanvankelijk onder het voogdijschap van zijn moeder.
Toen zijn vader Floris II in 1122 stierf, was Dirk VI nog te jong om het bestuur op zich te nemen, waarop zijn moeder Petronilla van Saksen deze taken waarnam. In 1123 hielp Petronilla haar halfbroer hertog Lotharius in zijn strijd tegen keizer Hendrik V. Nadat Lotharius in 1125 zelf koning van het Heilige Roomse Rijk werd, voegde hij Rijnland en Leiden, (formeel sinds 1064 Utrechts bezit), bij Holland.

In 1133 stichtte Petronilla de abdij van Rijnsburg. Omdat ze geen vertrouwen had in de nogal ambitieloze Dirk, rekte Petronilla haar regentschap, zodat haar tweede zoon Floris het graafschap kon overnemen.
Omstreeks 1125 huwde Dirk met Sophia van Rheineck, dochter van Otto van Rheineck en Geertruid van Northausen. Door dit huwelijk kwam het graafschap Bentheim in handen van de graven van Holland.
Zijn broer Floris (bijgenaamd de Zwarte) bezat wel de ambities die bij zijn oudere broer leken te ontbreken. Hij kwam openlijk in opstand tegen zijn broer en werd van 1129 tot 1131 ook als graaf van Holland in oorkonden genoemd. Zelfs Rooms-koning Lotharius en bisschop Andries van Utrecht erkenden Floris als de rechtmatige graaf van Holland. In maart 1131 werd Dirk VI echter weer officieel graaf van Holland genoemd en leken de broers zich te hebben verzoend.
Zo’n zes maanden later (in augustus 1131) stonden de broers alweer tegenover elkaar, nadat de opstandige West-Friezen Floris de heerschappij over heel West-Friesland hadden aangeboden. Floris accepteerde dit maar al te graag en ook de Kennemers sloten zich daarna bij de opstand aan. Een jaar later, in augustus 1132, kwam Rooms-koning Lotharius tussenbeide en werd de broedertwist wederom bijgelegd, ook al had dit weinig invloed op het verzet van de Friezen.
Floris kwam in conflict met de familie van Cuijk toen zijn huwelijksaanzoek aan een van de dochters van de familie werd afgewezen. Floris viel bisschop Andries van Cuijk aan en bezette de stad Utrecht. Herman en Godfried van Cuijk trokken met een leger naar Utrecht. Zij verrasten Floris toen die buiten de stad aan het jagen was en doodden hem.
Dirk verwoestte daarop het kasteel van Herman bij Lexmond en Herman, Godfried en Andries moesten vluchten. Pas toen er een nieuwe keizer kwam (Koenraad III van Hohenstaufen), kon een vrede worden bereikt. Andries werd hersteld als bisschop, maar Herman moest voortaan Dirk als zijn heer erkennen voor zijn bezittingen bij Lexmond.
In 1138 ondernam Dirk VI samen met zijn vrouw een pelgrimstocht naar Jeruzalem. Op de terugreis bezocht Dirk paus Innocentius II en droeg hij de abdij van Egmond en de door zijn moeder gestichte abdij van Rijnsburg aan hem op. Hiermee onttrok hij de abdijen aan het kerkelijk gezag van het aartsbisdom Utrecht.
In 1156 loste Dirk VI de slepende kwestie rond de Echternachse kerken op. Rond 923 had Dirk I in Egmond een klooster gesticht. Deze Abdij van Egmond kreeg de kerkelijke rechten over het gebied, in plaats van de door Willibrordus gestichte Abdij van Echternach. De abdij van Echternach ondernam herhaaldelijk pogingen het verloren bezit terug te krijgen. Dit had tot gevolg dat in 1063 de bisschop Willem I van Utrecht de kerken in het gebied over beide abdijen verdeelde. De abdij van Egmond wilde deze verdeling uiteraard niet accepteren. Dirk VI loste het conflict op door de abdij van Echternach, in ruil voor de gebieden, land op Schouwen en de inkomsten van de grote kerk in Vlaardingen te schenken. Dat de abt van Egmond, die bij de overdracht aanwezig was, weinig gecharmeerd was van deze oplossing, bleek wel toen hij Dirk VI en zijn zoon Floris kort erop in de ban deed. Deze ban is er waarschijnlijk de oorzaak van dat Dirk VI niet in Egmond maar in de Abdij van Rijnsburg werd begraven.
Sophie overleefde haar man met ruim 19 jaar. Ze stierf in 1176 tijdens een bedevaart in Jeruzalem.
Samen kregen ze de volgende kinderen:
- Dirk Pelgrim.
- Floris III, graaf van Holland.
- Otto, graaf van Bentheim.
- Boudewijn, bisschop van Utrecht.
- Dirk, bisschop van Utrecht.
- Sophia, abdis van Rijnsburg.
- Hadewig, non te Rijnsburg.
- Geertruid
- Petronilla.
Floris III Van Holland
Floris III was een trouwe vazal van keizer Frederik Barbarossa. Hij vergezelde de keizer op twee expedities naar Italië in 1158 en 1176-1178. Frederik bedankte hem door Floris deel te laten uitmaken van de keizerlijke adel. De keizer gaf Floris het tolrecht van Geervliet, in die tijd het belangrijkste tolstation van Holland. Dit was eigenlijk de legalisering van een bestaande situatie, want de graven van Holland hadden sinds het begin van de 11e eeuw illegaal tol geheven.
Veel boeren kwamen naar Nederland om van de moerassen landbouwgronden te maken. Er werden dijken en dammen aangelegd en de grens tussen Holland en het bisdom Utrecht moest worden vastgesteld. In 1165 was er een geschil tussen Floris en de bisschop van Utrecht over een nieuwe dam in de Rijn bij Zwammerdam, die door keizer Frederik moest worden opgelost. De broer van Floris, Boudewijn, werd in 1178 bisschop van Utrecht.
Er brak oorlog uit tussen Vlaanderen en Nederland. Graaf Filips I van Vlaanderen wilde Zeeland terug. Floris werd gevangen genomen in Brugge en moest in 1167 de Vlaamse overheersing in Zeeland als losgeld aanvaarden. Tijdens zijn bewind had Floris III problemen met West-Friesland en een oorlog met Filips over hun respectievelijke rechten in West-Zeeland, waarin hij werd verslagen. In 1170 veroorzaakte een grote overstroming enorme verwoestingen in het noorden en droeg bij aan de vorming van de Zuiderzee.
In 1189 vergezelde Floris Frederik Barbarossa op de Derde Kruistocht, waarvan hij een vooraanstaand leider was.
Hij huwde op 28 september 1162 met Ada van Huntingdon van Schotland, de zuster van de Schotse koning Malcolm IV. Hij kreeg daarbij de titel Earl van Ross, die hij later overigens weer moest opgeven.Ook zou Floris zijn wapen hebben gebaseerd op het wapen van Schotland.
Floris en Ada kregen de volgende kinderen:
- Dirk VII, opvolger van zijn vader.
- Willem I.
- Floris, geestelijke.
- Hendrik.
- Boudewijn.
- Robert.
- Beatrix.
- Elisabeth.
- Ada, getrouwd met Otto II van Brandenburg,kreeg 1 zoon Albert II en keerde na de dood van haar man in 1205 terug naar Holland.
- Margaretha, gehuwd met Diederik V van Kleef.
- Hedwig.
- Agnes, abdis van de abdij van Rijnsburg.
Hij stierf in 1190 in Antiochië aan de pest en werd daar begraven. Hij werd opgevolgd door zijn zoon Dirk VII.
Willem I Van Holland
ca. 1168 – 4 februari 1222), Graaf van Holland van 1204-1222. Willem I was de tweede zoon van graaf Floris III en Ada van Huntingdon. Hij werd vernoemd naar zijn oom de Schotse koning William the Lion. Hij volgde in 1204 in een omstreden opvolging met zijn nicht Ada van Holland zijn overleden broer Dirk VII op.

Hij vergezelde zijn vader en oom Otto I van Bentheim bij de derde kruistocht van keizer Frederik Barbarossa. De keizer verdronk tijdens die kruistocht op 10 juni 1190 in een bergrivier, wat het leger erg demotiveerde. Enkele maanden later overleed graaf Floris aan de pest.
Willem sloot zich aan bij wat er van het keizerlijke leger nog over was onder aanvoering van Frederik IV van Zwaben, de zoon van de verdronken keizer. Ze trokken verder naar het Heilige Land en versterkten vanaf oktober 1190 daar de gedemoraliseerde belegeraars van Akko. De stad viel na de komst van Richard Leeuwenhart en koning Filips II van Frankrijk in juli 1191, maar er ontstond onenigheid over de verdeling van de oorlogsbuit tussen de Engelsen en de Fransen. De Hollanders besloten toen naar huis terug te keren. Willem keerde in september 1191 als ervaren krijgsman terug in Holland.
Enkele jaren later liepen meningsverschillen met zijn oudere broer Dirk VII, die hun vader Floris III als graaf van Holland was opgevolgd, hoog op. Willem zocht daarop steun bij de altijd tot opstand bereid zijnde Friezen in West-Friesland. Omdat Dirk op dat moment niet in het land was, trok zijn vrouw gravin Aleid met een leger naar West-Friesland. In november 1195 kwam het nabij Alkmaar tot een treffen tussen de gravin en haar zwager Willem. Aleid wist de slag naar haar hand te zetten door de leiders van Niedorp en Winkel om te kopen. Ze gingen er vandoor, waarna Willem niet veel anders kon doen dan vluchten. Uiteindelijk werd de ruzie tussen beide broers na bemiddeling van hun ooms bijgelegd, en kreeg Willem het bestuur over het graafschap Midden-Friesland.
Dirk VII overleed in 1203. Zijn dochter Ada was zijn enige erfgenaam. Zijn weduwe Aleid liet haar onmiddellijk trouwen met Lodewijk II van Loon om zelf macht in het graafschap te behouden. Tot grote verontwaardiging van diverse edelen en de monniken van Egmond lag Dirk VII nog opgebaard terwijl het huwelijk van zijn dochter al gevierd werd. Willem kreeg van zijn schoonzuster geen vrijgeleide om zijn broer in Egmond de laatste eer te bewijzen.

Willem maakte ook aanspraken op de opvolging in Holland en verzamelde een groep oude vrienden onder de adel om zich heen om zijn claim kracht bij te zetten. Zo ontstond wat later de Loonse Oorlog werd genoemd. In het begin had Willem de overhand en wist hij Ada gevangen te nemen op de burcht van Leiden en Lodewijk en Aleid te verjagen uit Holland. Zij vluchtten naar Utrecht. Willem zond Ada ter bewaking naar koning John Lackland (Jan zonder Land) van Engeland.
Het bestuur van Willem is van belang geweest voor de ontwikkeling van Holland als handelsland. Zijn broer Dirk VII was begonnen met het regelen van invoerrechten voor buitenlandse kooplieden via de kring van tollen die hij langs de rivieren die Holland binnenstroomden. Daarbij bevoordeelde hij handelssteden als Dordrecht.
Graaf Willem erkende de door Dirk gegeven stadsrechten aan Geertruidenberg (1213), Middelburg (1217), Zierikzee (1219?) en Dordrecht (1220) en Leiden en breidde ze uit, waarbij Dordrecht (dat al kort na 1195 en even voor 1200 keuren had ontvangen) het keurrecht kreeg. De stad kon zo als dat nodig was haar eigen rechten uitbreiden zonder dat er toestemming van de graaf nodig was. Het was voor het eerst dat een Hollandse stad zulk recht kreeg. Daarnaast bevorderde graaf Willem de interne organisatie van ingepolderde delen van Holland, waaronder de Grote Waard.
In 1214 vocht Willem met keizer Otto IV mee in de Slag bij Bouvines. Nadat deze slag door de keizer was verloren, gaf de graaf zijn steun aan Roomskoning Frederik II van Hohenstaufen. In 1216 nam Willem deel aan de expeditie van, toen nog prins, Lodewijk VIII van Frankrijk naar Engeland. In reactie daarop erkende de Engelse koning John kort voor zijn dood (1216) Lodewijk van Loon weer als graaf van Holland, maar deze overleed voor hij daar wat mee kon doen (1218). Het lukte John wel om Willem te laten excommuniceren.
Om zijn excommunicatie ongedaan te maken nam Willem deel aan de Vijfde Kruistocht. Als een van de commandanten van een leger van Friezen, Hollanders en Vlamingen zeilde Willem in juni 1217 via Engeland langs de Europese kust op weg naar het Heilige Land. Vanwege een storm werd de vloot uit elkaar geslagen en kwam pas weer bij elkaar in Lissabon. De bisschop van Lissanon wist de kruisvaarders over te halen hem te helpen in de strijd tegen de nog steeds bestaande Moorse aanwezigheid in zijn land. Willem I en zijn medeaanvoerder en hun mannen gaven gehoor aan dit verzoek, maar de Friezen hielden zich aan hun kruisvaartgelofte en voeren door. Op 30 juli 1217 begon de aanval op Alcácer do Sal, een Moors fort zo’n 70 km van Lissabon, met hulp van een leger van Portugezen en groepen Tempeliers, Hospitaalridders en de Orde van Santiago van het Zwaard. Na een zware belegering gaven de Moren van Alcácer zich op 21 oktober 1217 over. De overlevenden werden alle tot slaaf gemaakt en verkocht, tenzij ze zich tot het christendom bekeerden. De kerk probeerde de kruisvaarders op het Iberisch schiereiland te houden om in het volgende jaar tegen de Spaanse Moren op te trekken. Willem had daar wel oren naar en vroeg paus Honorius III om toestemming en ontheffing van de eerder gedane kruistochtgelofte. De paus weigerde dit verzoek en verplichtte hen op weg naar Akko te gaan. Willem overwinterde met nog maar een deel van de vloot in Portugal en zou in 1218 de eerder doorgevaren Friezen volgen.
Niet lang na Pasen 1218 (15 april) kwam Willem met de Friezen, Hollanders en Duitsers aan in Akko, waar de andere kruisridders zich reeds hadden verzameld. Tot en met de zomer van 1219 werd er gevochten tussen de kruisvaarders en de nieuw Egyptische Sultan al-Kamil. Toen de verovering niet opschoot en de belegerden het steeds benauwder kregen, stelde de sultan voor de belegering van Damiate af te breken in ruil voor Jeruzalem en allerlei andere gunstige voorwaarden. De meeste kruisridders waren ingenomen met dit voorstel, maar de geestelijke ridderorden wisten de pauselijke afgezant Pelagius over te halen dit te weigeren. Niet door onderhandelingen, maar door strijd moest Jeruzalem worden ingenomen. Voor graaf Willem was de maat vol en hij vertrok (misschien gewond tijdens de laatste gevechten, waarbij zijn medebevelhebber was gesneuveld) op 14 september terug naar huis. Op 5 november 1219 viel de stad in handen van de kruisvaarders. Opnieuw stelde al-Kamil een ruil voor maar weer zonder resultaat. Door een verwarring van beide voorstellen is wel gedacht dat Willem I nog betrokken was bij de val van de stad.
Terug in Holland bleek dat zijn vrouw gravin Aleid (12 februari 1218) was overleden. Willem hertrouwde in 1220 met de weduwe van keizer Otto IV en overleed korte tijd later op 4 februari 1222. Hij is begraven in de abdij van Rijnsburg.
Floris IV Van Holland
(25 juni 1210, Den Haag – 19 juli 1234, Corbie, Frankrijk), Graaf van Holland van 1222-1234.
Hollandse graven probeerden vaak meer macht te krijgen via de huwelijken van hun kinderen. Zo ook graaf Willem I: hij liet zijn zoontje Floris in 1214 op vierjarige leeftijd verloven met de tien jaar oudere Machteld, die op haar jonge leeftijd al weduwe was! De vader van Machteld was Hendrik I, de hertog van Brabant.

Enkele maanden voordat Floris IV twaalf werd, overleed zijn vader graaf Willem I van Holland. De jonge graaf Floris kreeg een regent, Boudewijn van Bentheim, totdat hij op 24 juni 1222 twaalf werd, de leeftijd waarop je in die tijd als volwassen werd gezien. Twee jaar later, in 1224, trouwde Floris IV met Machteld van Brabant. Zij waren toen al tien jaar verloofd.
Floris en Machteld kregen zes kinderen. In 1227 werd hun zoon geboren, die later graaf Willem II van Holland zou worden. Hun andere kinderen waren: Hendrik, Floris (die bekend werd als Floris de Voogd), Machteld, Aleid en Margaretha.
De naam van Floris IV kwam vanaf 1222 in de middeleeuwse perkamenten akten te staan. Hij speelde een belangrijke rol bij de uitbreiding van zijn gebied. Met name verwierf hij het land van Altena tijdens zijn bewind.
Natuurlijk kon hij Holland nog niet alleen besturen. Daarom kreeg hij veel adviezen van belangrijke edellieden in zijn omgeving. Ook sloot hij overeenkomsten met de bisschop van Utrecht (1226) en de graaf van Vlaanderen (1227).

De stad Den Haag werd gesticht door de laatste graven van het Hollandse huis, Floris IV, Willem II en Floris V. Floris IV reisde nog steeds langs zijn verschillende woningen in het graafschap, maar zijn hof (woning) bij ‘s-Gravenzande schijnt hij relatief veel gebruikt te hebben. Dichterbij Den Haag had hij nog een hof in Loosduinen. Dit hof was niet onbelangrijk, want hier trouwde graaf Dirk VII in 1186 met Aleida van Kleef. In de buurt van deze twee hoven kocht Floris in 1229 vermoedelijk nog een derde hof. De akte vermeldt alleen dat dit hof werd bewoond door een mevrouw Meilendis. De locatie werd niet genoemd, maar was volgens sommige historici het Binnenhof. Rond 1229 schonken de graven immers hun hof in Loosduinen aan een kloosterorde. Het is dus niet onlogische dat ze in de buurt grond kochten voor een nieuwe woning. Het dorp ‘s-Gravenzande was niet geschikt voor een nieuwe grafelijke woning. Dit dorp kreeg in 1246 stadsrechten en het is bekend dat graven liever niet in steden woonden. Steden hadden een stadsmuur en een eigen legertje, dus daar was de graaf niet altijd.
Op 15 november 1229 kocht Floris IV een hof in het gebied waar later het Binnenhof zou ontstaan. Waarschijnlijk wilde hij hier een jachthuis bouwen. Op de plaats van dit jachthuis zou later de Ridderzaal worden gebouwd. Een van de kelders onder de Ridderzaal is vermoedelijk rond 1230 gebouwd. En vermoedelijk was hij al van plan op en rond het huidige Binnenhof een groot kasteel te bouwen. Zijn zoon en kleinzoon gingen verder met plannen die Floris IV al had gehad
In Loosduinen stichtten graaf Floris IV en zijn vrouw gravin Machteld rond 1229 een klooster voor vrouwen (cisterciën-zerklooster). Corbie in Frankrijk.
Volgens een overlevering had hij grote indruk gemaakt op Mathilde II van Boulogne die hem een liefdesbrief stuurde. Haar man, Filips Hurepel, graaf van Clermont, die ook aan het toernooi zou hebben deelgenomen, zou dit niet over zijn kant hebben laten gaan en zou Floris hebben doodgestoken. Daarop zou de graaf van Clermont door ‘die van Kleef’ zijn gedood.

Floris IV werd begraven in de Abdij van Rijnsburg. Zijn echtgenote kreeg niet de voogdij over hun kinderen. Floris’ jongere broer Willem werd voogd. Floris’ vrouw Machteld overleed op 67-jarige leeftijd in 1267 en werd begraven in het door haar gestichte cisterciënzerklooster te Loosduinen.
Graaf Floris IV van Holland liet een zoon na, Willem, die op jonge leeftijd al in Den Haag woonde. Dat moet dus de woning van zijn vader zijn geweest, waarschijnlijk op het Binnenhof.

Adelheid Van Holland
(ca. 1228 — Dordrecht, 1284), ook bekend als Aleid(a) van Avesnes, was gravin van Henegouwen en regentes van Holland. Aleid was als dochter van Floris IV niet de ergenaam voor het graafschap van Holland. Dat was zijn zoon Willem II. In september 1246 trouwde Aleid van Holland met Jan I, graaf van Avesnes. Uit dit huwelijk werden 7 kinderen geboren. Zij speelde een belangrijke rol in de geschiedenis van Schiedam als stad en de ontwikkeling van Holland.
Adelheid (Aleid) was een dochter van Floris IV van Holland en Machteld van Brabant. Er werd een huwelijksovereenkomst gesloten met Jan van Avesnes zodat een bondgenootschap van haar broer Willem II van Holland met het Huis Avesnes tot stand kwam. Aleid en Jan trouwden op 9 oktober 1246. Als onderdeel van het afsprakenpakket droeg Willem II zijn leengoed van de koningen van Schotland aan Aleid over. Willem II was goed in het knopen van dergelijke bondgenootschappen en bracht het mede door financiële ondersteuning aan de Rooms-Katholieke kerk uiteindelijk tot rooms-koning.
Na de dood van Jan (1257) werd ze regentes van Henegouwen voor haar zoon Jan II van Avesnes. Na de dood van haar broers Willem, in 1256 en Floris de Voogd in 1258, wierp ze zich op als regentes van Holland (“tutrix Hollandie”) voor Floris V van Holland.
Waarschijnlijk is zij degene geweest die aan Jacob van Maerlant de opdracht gaf om in het kader van Floris’ opvoeding het werk “Alexanders Geesten” te schrijven, over de als voorbeeldig beschouwde vorst Alexander de Grote – die in Maerlants boek heel toepasselijk het wapen van de graven van Holland draagt. De Hollandse houding ten opzichte van haar mans familie, de Avesnes, was echter inmiddels veranderd: in 1256 had Aleids broer, graaf Floris de Voogd, zich verzoend met haar schoonmoeder, de gravin van Vlaanderen.
Hierbij waren allerlei maatregelen genomen om te zorgen dat de Avesnes in Holland geen poot meer aan de grond konden krijgen. De oppositie tegen Aleids voogdijschap over Floris V zocht haar heil bij Otto II van Gelre, die besloot zelf gewapenderhand de voogdij te veroveren. Hij nam Dordrecht in, terwijl Aleid zich, nog steeds met Floris V onder haar hoede, moest terugtrekken in Zeeland. Nadat zij in Zeeland een veldslag verloren had, werd zij op 22 januari 1263 door Otto van Gelre afgezet en van haar weduwengoed beroofd. Hijzelf nam tot 1266 de voogdij op zich.
Floris V werd in 1266 (twaalf jaar oud) na de dood van Otto van Gelre volwassen verklaard.
Niet lang nadat Floris V in 1266 zelfstandig ging regeren, sloot hij met Aleid een overeenkomst over haar weduwengoed. Floris ging ook af en toe bij zijn tante te rade. Aleid kwam in 1268 terug naar Holland om met hem te regeren. In 1272 kocht zij van Dirk II van Wassenaer zijn ambacht in Schiedam, zijn visrechten van Overschie tot de Maas en alle andere rechten voor honderd pond Hollandse penningen. Opmerkelijk aan de originele akte van overdracht is dat deze in de Nederlandse taal is opgesteld en niet, zoals te doen gebruikelijk, in het Latijn.
Het was ongetwijfeld aan Aleids invloed te danken dat een van haar zoons, Floris van Avesnes, een flinke machtspositie kon opbouwen. Te groot, want in 1277 werden de Avesnes, dus ook Aleid, door Floris V uit Holland gezet. Een verzoening volgde in 1282.
Aleid was de stichtster van Huis te Riviere in Schiedam dat het eerste slot in het graafschap Holland was. Dit kasteel werd groots opgezet en in de Franse stijl gebouwd, het was vierkante van vorm met een grote hofplaats. Ook liet zij een kerk en gasthuis bouwen, mensen die doneerden voor de bouw van de kerk kregen hun zonden kwijtgescholden, een aflaat, zo was Adelheid met de kerk overeengekomen. Floris en Aleid gaven Schiedam in 1270 het recht om een weekmarkt en een jaarmarkt te houden. Tolvrijheid volgde snel. In 1275 verleende zij, met toestemming van graaf Floris V, stadsrechten aan Schiedam. In 1272 zegde Dirk, heer van Teilingen, ridder, bijstand toe aan Aleid.
Aleid vestigde zich in Holland. Zij kocht in 1258 de polder Nuwer Scye (Nieuwe Schie) van Dirk Bokel, ter hoogte van het huidige Schiedam (het gebied tussen Hoogstraat, Boterstraat en Broersvest). De aankoop van deze polder was aantrekkelijk, omdat ten tijde van het bewind van Aleid de aanleg van het westelijk gedeelte van de huidige Schielands Hoge Zeedijk (ongeveer vanaf Kralingen naar het westen) zijn voltooiing naderde. Dit werk was in 1250 begonnen op initiatief van haar broer Willem II van Holland. Na zijn dood in 1256 werd het werk onder het bestuur van Aleid voltooid. Het gebied rondom Schiedam was zo beter beschermd tegen het water.
Om voldoende steun en strijdkrachten onder de Hollandse adel te winnen stelde ze hertog Hendrik III van Brabant aan als mede-regent. Toen deze in 1261 overleed, wendde een aantal edelen zich tot hertog Otto II van Gelre met het verzoek om in te grijpen. Toen deze met een leger in Dordrecht arriveerde, had Aleid zich met haar leger teruggetrokken op Zuid-Beveland. Daar vond een gewapend treffen plaats, waarin Aleid werd verslagen. Ze moest het graafschap verlaten.
Aleid overleed in 1284 in Dordrecht (mogelijk in het Huis Henegouwen), waarna ze per schip en rijtuig naar Valencijn werd vervoerd en naast haar man aldaar werd begraven.
Nadat in 1299 Floris’ zoon kinderloos was overleden, verwierf Aleids oudste zoon Jan II van Avesnes, graaf van Henegouwen, ook het graafschap Holland. Zo bleek haar huwelijk uiteindelijk toch de grondslag te zijn geweest voor een personele unie tussen Holland en Henegouwen. Aleid was echter al in 1284 overleden en werd in het klooster van de predikheren in Valenciennes in Henegouwen begraven, bij haar echtgenoot Jan.
Aleid heeft in navolging van haar moeder, Machteld van Brabant, ook een rol gespeeld als stichteres en begunstigster van religieuze instellingen. Vooral uit Aleids testament van 1271 blijkt haar affiniteit met bedelorden en begijnhoven.