Giselbert van Luxemburg

(1007 – 14 augustus 1059) was de vierde graaf van Luxemburg. Giselbert was in 1035 graaf van Longwy en Salm, voogd van de abdij van Echternach en de abdij van Sint-Maximinus. In 1047 volgde hij zijn broer Hendrik op als graaf van Luxemburg. Giselbert liet de eerste muren van de stad Luxemburg bouwen. Hij was berucht om zijn plundertochten in het bisdom Trier maar omdat hij een trouwe aanhanger van keizer Koenraad II de Saliër was, weigerde die de aanklachten tegen Giselbert in behandeling te nemen. Uiteindelijk werden deze kwesties opgelost door bemiddeling van Giselberts broer, bisschop Adalbero III van Metz. Op zijn sterfbed deed Giselbert grote schenkingen aan de abdij van Sint Maximinus.

Giselbert was de tweede zoon van graaf Frederik van Luxemburg (Moezelgauw) en Irmentrude van de Wetterau. De naam van zijn vrouw is niet bekend. Giselbert had de volgende kinderen:

  • Koenraad (1040-1086), graaf van Luxemburg
  • Herman (?-1088), graaf van Salm, Duits tegenkoning (1081-1088)
  • een dochter die mogelijk huwde met Dietrich von Ammensleben
  • een dochter die huwde met graaf Kuno van Oltigen
  • Volgens sommige bronnen een dochter Jutta die getrouwd was met graaf Udo van Limburg. Dit betreft echter de erfdochter van zijn oudere broer Frederik.

Herman van Salm

(ca. 1035 – Cochem, 28 september 1088) was een zoon van Giselbert van Luxemburg. Herman werd op 6 augustus 1081, toen Hendrik IV in Italië verbleef, door de edelen van Zwaben en Saksen tot Duits tegenkoning verkozen, in opvolging van Rudolf van Rheinfelden. Herman had deze verkiezing te danken aan de machtsstrijd tussen de verschillende fracties van de opstandelingen: hoewel hij zelf geen vooraanstaande leider van de opstand was, was hij wel een goede compromisfiguur.

Vijf dagen later versloeg Herman hertog Frederik I van Zwaben bij Höchstädt an der Donau. Herman belegerde daarna de stad Augsburg maar moest dat beleg na drie weken opgeven. Hij trok naar Saksen en werd in Eisleben als koning gehuldigd. Op 26 december 1081 werd hij in Goslar gekroond door de bisschop van Mainz.

In 1083 maakte Herman plannen voor een veldtocht naar Italië. Hij verzamelde een leger aan de Donau maar zag van zijn plannen af nadat Otto I van Northeim, zijn belangrijkste veldheer, overleed. Hendrik IV kwam in 1084 terug uit Italië en Herman moest voor hem wijken. Hij vluchtte zelfs naar Denemarken. Herman keerde in 1086 terug en belegerde, samen met Welf IV van Beieren, de stad Würzburg. Op 11 augustus versloeg hij Hendrik die de stad wilde ontzetten. Herman en Welf veroverden Würzburg. Toen Hendrik met een groot leger terugkwam, verlieten ze de stad. Herman en Welf trokken ongehinderd door Beieren en veroverden Augsburg.

Herman kreeg er uiteindelijk genoeg van om als tegenkoning een speelbal in de handen van de grote Zwabische en Saksische edelen te zijn. Hij werd door hen niet als koning en niet eens als gelijke behandeld, alle beslissingen werden zonder hem genomen. Herman trok zich in 1086 terug op zijn eigen bezittingen en bemoeide zich alleen nog maar met zijn eigen zaken. Op 28 september 1088 werd hij, bij de bestorming van de burcht van Cochem, getroffen door een steen en kwam daarbij om het leven.

Herman was gehuwd met Sophia van Formbach, zij hadden de volgende kinderen:

  • Diederik
  • Herman II
  • Otto I van Salm

Otto I van Salm van Rheineck

(ca. 1085 – 1148) was graaf van Rheineck, en voogd van de abdij van Rolandswerth (bij Remagen), en paltsgraaf aan de Rijn.

Otto was de zoon van de Duitse tegenkoning Herman van Salm en Sophia van Formbach. Zij waren een van de meest pausgezinde families van die tijd. Hij bouwde de burcht Rheineck.

is een kasteel op een heuveltop aan de Rijn (nu onderdeel van Bad Breisig ), dat in de 11e eeuw werd gebouwd door de Paltsgraven van de Rijn . In de 12e eeuw noemde graaf Otto van Salm zichzelf voor het eerst graaf van Rheineck . Na een langdurige vete met de graven van Stahleck , waarbij onder andere het volgende aan de orde kwam: Bij de graven van de Palts stierf de “Rheinecker” Salm in 1150 uit met Otto I in de mannelijke lijn . Het kasteel werd in 1151 op bevel van keizer Barbarossa verwoest .

Kort daarna werd het strategisch gelegen kasteel herbouwd door het aartsbisdom Keulen . Waarschijnlijk werd het kasteel omstreeks 1180 in leen gegeven aan de ridderlijke familie van Ulmen , die al snel de naam Rheineck aannam . Na het uitsterven van de familie Rheineck in 1539 kwam het burggraafschap (vanaf 1576) in handen van de baronnen van Warsberg , die het in 1654 verkochten aan de Oostenrijkse graven van Sinzendorf .

De burggraven van Rheineck hadden zetel en stemrecht in het Westfaalse Rijksgravencollege van de Keizerlijke Vorstenraad van de Rijksdag en behoorden tot het keurvorstendom van de Rijnlandse Rijkskring . Omdat zij alleen over het kleine gebied van de eigenlijke Burgfrieden volledige soevereiniteit hadden, waren zij, als vazallen van de keurvorst van Keulen, ook verplicht te verschijnen voor diens deelstaatvergaderingen . In 1785 werd kasteel Rheineck na een brand grotendeels onbewoonbaar.

Rond 1115 trouwde Otto met Geertruid van Northeim, weduwe van paltsgraaf Siegfried. Hierdoor verwierf hij het ambt van paltsgraaf aan de Rijn. Otto verkreeg door erfenis het kasteel van Treis. Keizer Hendrik V erkende de erfenis niet en veroverde Treis in 1121. Toen zijn zwager Lotharius III van Supplinburg in 1125 tot koning werd gekozen, kreeg Otto het kasteel van Treis weer terug. Ook verkreeg hij het graafschap Bentheim. Otto herbouwde het kasteel van Bentheim dat was verwoest. In 1136 vergezelde hij Lotharius naar Italië. Na de dood van Lotharius (1137) verloor Otto de functie van paltsgraaf en het kasteel van Treis. De rest van zijn leven was hij daarover in conflict met de nieuwe paltsgraaf en met de aartsbisschop van Trier.

Otto’s vrouw Geertruid was de dochter en erfgename van Hendrik de Vette, markgraaf van Friesland en graaf van Northeim, en van Gertrudis van Brunswijk. Kinderen van Otto en Geertruid waren:

  • Otto II (rond 1115 – 1149)
  • Sophia (- 1176)
  • Beatrix

Sophia van Rheineck

(ca. 1120 – Jeruzalem, 26 september 1176) was getrouwd met graaf Dirk VI van Holland. Ze was de dochter van Otto van Rheineck graaf van Bentheim en Geertruid van Northeim.

Sophia liet nieuwe abdijkerken bouwen in Egmond en Rijnsburg. In 1138 ging ze samen met haar man op pelgrimstocht naar Jeruzalem en bezocht op de terugweg de paus in Rome. Als weduwe bezocht ze Santiago de Compostella. Daarna bezocht ze nog tweemaal Jeruzalem (1173) en (1176). Tijdens dat laatste bezoek overleed ze in het Mariahospitaal van de Duitse Orde in Jeruzalem. Ze werd in Jeruzalem begraven.

Dirk en Sophia kregen de volgende kinderen:

  • Dirk (ca. 1138 – 1151), begraven te Egmond
  • Floris III, graaf van Holland
  • Otto, graaf van Bentheim
  • Boudewijn, bisschop van Utrecht
  • Dirk, bisschop van Utrecht
  • Sophia (ovl. na 1202), abdis van Rijnsburg
  • Hadewig (ovl. Rijnsburg, 28 augustus 1167) non te Rijnsburg
  • Geertruid (ovl. op 13 augustus)
  • Petronilla (ovl. 5 december)

Door Eric