De dochter van Crínán en Bethóc ingen Maíl Coluim meic Cináeda was Sybilla Suthen Fitziward of Northumberland. Zij trouwde met Duncan I of Scotland.
Duncan I van Schotland
(ca. 1001 – 14 augustus 1040) Gealic naam Donnchadh mac Crìonain. Bijgenaamd An t-Ilgarach, “de Zieke”. Koning van Schotland (Alba) van 1034 tot 1040. Duncan I volgde zijn grootvader Malcolm op als koning na diens dood op 25 november 1034.

Een eerdere bron, een variant van de “Kroniek van de Koningen van Alba”, geeft Duncan’s vrouw de Gaelic naam Suthen, en zij hadden minstens twee zonen. De oudste, Malcolm III (Máel Coluim mac Donnchada) was koning van 1058 tot 1093 nadat hij Lulach, de stiefzoon van Macbeth, had vermoord en zich diens land en titel had toegeëigend. De tweede zoon Donald III (Domnall Bán, of “Donalbane”) werd daarna koning. Máel Muire, graaf van Atholl is een mogelijke derde zoon van Duncan, hoewel dit onzeker is.

De eerste periode van Duncans regering verliep ogenschijnlijk rustig, misschien een gevolg van zijn jeugd. Macbeth (Mac Bethad mac Findláich) wordt vermeld als zijn duux, tegenwoordig weergegeven als “hertog”, wat niets meer betekent dan de rang tussen prins en markies, maar toen nog steeds de Romeinse betekenis van “oorlogsleider” had.

In 1039 leidde Duncan een groot Schots leger naar het zuiden om Durham te belegeren, maar de expeditie eindigde in een ramp. Duncan overleefde, maar het jaar daarop leidde hij een leger naar het noorden naar Moray, het domein van Macbeth, blijkbaar op een strafexpeditie tegen Moray. Daar sneuvelde hij in de slag bij Bothnagowan, nu Pitgaveny, bij Elgin, door de mannen van Moray onder leiding van Macbeth, waarschijnlijk op 14 augustus 1040. Men denkt dat hij in Elgin werd begraven voordat hij later naar het eiland Iona werd overgebracht.
De Clan Duncan
De achternaam Duncan is te vinden in de oudste archieven van Schotland in de Gaelic vorm Dunchad/Donchadh en andere spellingsvarianten. (Dunchad) Duncan, oorspronkelijk een voornaam (die “Bruine Krijger” betekent), is zonder twijfel een van de vroegste namen in Schotland – achternamen werden rond 1120 na Christus door de Noormannen geïntroduceerd – en is afkomstig van de Dalriadan Keltische Scotii (Schotten) uit Ierland die vanaf ongeveer de 4e eeuw na Christus het zuidwesten van Schotland koloniseerden. Dunchad (Duncan) Mac Conaing regeerde samen met Conall II (ca. 650 – 654) over Dalriada.

Andere vroege verslagen van de naam zijn onder meer de bijna 3 meter hoge ingeschreven ‘Turpillian Stone’ uit de 4e eeuw na Christus in Crickhowell, Wales, met een bijzonder vroege vermelding van de naam Duncan. Gegraveerd in Ogham (een vroege vorm van Keltisch schrift), droeg de steen ook de Latijnse vertaling “TURPILLI IC IACIT PUUERI TRILUNI DUNOCATI”, wat zich ruwweg vertaalt als The Fort Warrior. Er wordt ook melding gemaakt van Dunchad (Duncan), de 11e abt van Iona, 707 – 717 n.Chr. (later St. Dunchadh) en Dunchad (Duncan), de 39e abt in 989 n.Chr.
Gegevens uit deze tijd zijn schaars en pas na de eenwording door Kenneth MacAlpine rond 843 na Christus van de Keltische Schotten van Dalriada en de inheemse Picten van Noord-Groot-Brittannië beginnen we te zien dat de naam vaak wordt gebruikt in andere delen van Schotland. Een van de vroegste verwijzingen naar Dunchad/Donchad, is te vinden in de marges van het 11e-eeuwse ‘Book of Deer’, de oudste geschriften in het Schots-Gaelisch die tegenwoordig in Schotland bekend zijn, Deze manuscripten zijn geschreven door de vroegchristelijke monniken van de abdij van Deer in Aberdeenshire.
De strijdkreet van de clan is “Garg’n Uair Dhuisgear”, wat zich vertaalt van Gaelic naar “Fierce when Roused” (Ïk word woest als je me bedreigt”). Deze oorlogskreet kan in verband worden gebracht met het wapen van de clanleider, waarop drie zilveren wolvenkoppen staan op een bloedrood schild dat wordt ondersteund door een slang en een duif.
Malcom III of Scotland
(Maol Chaluim mac Dhonnchaidh; ca. 1031 – 13 november 1093) Koning van Alba van 1058 tot 1093. Hij kreeg later de bijnaam “Canmore” (Schots-Gaelisch: ceann mòr, letterlijk ‘groot hoofd'”, opgevat als “groot opperhoofd”).

Het koninkrijk van Malcolm strekte zich niet uit over het volledige grondgebied van het moderne Schotland: veel van de eilanden en het land ten noorden van de rivier de Oykel waren Scandinavisch, en ten zuiden van de Firth of Forth waren er talloze onafhankelijke of semi-onafhankelijke rijken, waaronder het koninkrijk Strathclyde en Bamburgh, en het is niet zeker of de Schotten daar al macht uitoefenden bij de toetreding van Malcolm.
In de loop van zijn bewind leidde Malcolm III ten minste vijf invasies op Engels grondgebied. Een van de belangrijkste prestaties van Malcolm was het veiligstellen van de positie van de afstamming die Schotland tot het einde van de dertiende eeuw regeerde, hoewel zijn rol als stichter van een dynastie meer te maken heeft met de propaganda van zijn nakomelingen dan met geschiedenis. Zijn tweede vrouw, Margaret werd in de dertiende eeuw heilig verklaard.
Malcom III van Scotland trouwde met Margaret Mac Donnachadh, Koningin van Schotland, Wessex, Canmore en Dunkeld. Een van hun vele zonen was David I of Scotland. Hendrik I van Engeland en Eustace III, graaf van Boulogne waren zijn schoonzonen, waardoor hij de grootvader van moederskant was van keizerin Mathilde, Willem Adelin en Mathilde I, gravin van Boulogne. Alle drie waren ze prominent aanwezig in de Engelse politiek in de 12e eeuw.

In 1093 werden koning Malcolm en zijn zoon Edward gedood bij de rivier de Aln tijdens een invasie van Northumberland. David en zijn twee broers Alexander en Edgar waren waarschijnlijk aanwezig toen hun moeder kort daarna stierf.
Volgens de latere middeleeuwse traditie waren de drie broers in Edinburgh toen ze werden belegerd door hun oom van vaderskant, Donald III, die zichzelf koning maakte. Koning Willem Rufus van Engeland verzette zich tegen Donalds toetreding tot het noordelijke koninkrijk. Hij stuurde de oudste zoon van Malcolm, Davids halfbroer Duncan, met een leger naar Schotland. Duncan werd binnen het jaar vermoord en dus stuurde William in 1097 Duncan’s halfbroer Edgar naar Schotland. De laatste was succesvoller en werd eind 1097 gekroond.
David I van Schotland
(Dauíd mac Maíl Choluim, ca. 1084 – 24 mei 1153) was een 12e-eeuwse heerser en heilige die prins van de Cumbrians was van 1113 tot 1124 en later koning van Schotland van 1124 tot 1153. David, de jongste zoon van koning Malcolm III en koningin Margaret, bracht het grootste deel van zijn jeugd door in Schotland, maar werd in 1093 tijdelijk naar Engeland verbannen.

Tijdens de machtsstrijd van 1093-97 bevond David zich in Engeland. In 1093 was hij ongeveer negen jaar oud. Van 1093 tot 1103 kan Davids aanwezigheid niet in detail worden verklaard, maar hij lijkt de rest van de jaren 1090 in Schotland te zijn geweest. Toen William Rufus werd vermoord, greep zijn broer Henry Beauclerc de macht en trouwde met Davids zus, Matilda. Door het huwelijk werd David de zwager van de heerser van Engeland. Vanaf dat moment was David waarschijnlijk een belangrijke figuur aan het Engelse hof. Ondanks zijn Gaelic achtergrond was David tegen het einde van zijn verblijf in Engeland een volledig Normandische prins geworden.
Davids broer, koning Edgar, had de Engelse Koning William Rufus in mei 1099 bezocht en David een uitgestrekt gebied ten zuiden van de rivier de Forth nagelaten. Op 8 januari 1107 stierf Edgar. Zijn jongere broer Alexander besteeg de troon. Er wordt verondersteld dat David kort na de dood van Edgar de controle over zijn erfenis – de zuidelijke landen die Edgar had nagelaten, overnam. Het was pas in 1113, toen Koning Henry Beauclerc, de broer en opvolger van de vermoorde William Rufus, vanuit Normandië naar Engeland terugkeerde, dat David eindelijk in staat was om zijn erfenis in Zuid-Schotland op te eisen. De steun van koning Henry lijkt voldoende te zijn geweest om koning Alexander te dwingen de aanspraken van zijn jongere broer te erkennen. Dit gebeurde waarschijnlijk zonder bloedvergieten, maar toch door dreiging van geweld. Davids agressie lijkt wrok te hebben gewekt bij sommige autochtone Schotten. De gronden in kwestie bestonden uit de graafschappen Rox-burghshre, Selkirkshire, Berwickshire, Peeblesshire en Lanarkshire van vóór 1075.
David verwierf bovendien de titel “Prins van de Cumbriërs”, zoals blijkt uit Davids oorkonden uit deze tijd. Hoewel dit een groot deel van Schotland ten zuiden van de rivier de Forth was, was de regio Galloway-zelf volledig buiten Davids controle.
Toen Davids broer Alexander I in 1124 stierf, koos David, met de steun van Hendrik I, ervoor om het Koninkrijk Schotland (Alba) voor zichzelf te nemen. Hij werd gedwongen oorlog te voeren tegen zijn rivaal en neef, Máel Coluim mac Alaxandair. Het onderwerpen van de laatste lijkt David tien jaar te hebben gekost, een strijd die de vernietiging van Óengus, Mormaer van Moray, met zich meebracht. Davids overwinning maakte het mogelijk de controle uit te breiden over verder weg gelegen regio’s die theoretisch deel uitmaakten van zijn koninkrijk.
Na de dood van zijn voormalige beschermheer Hendrik I steunde David de aanspraken van Hendriks dochter en zijn eigen nicht, keizerin Mathilde, op de troon van Engeland. Daarbij kwam hij in conflict met koning Stefanus en kon hij zijn macht in Noord-Engeland uitbreiden, ondanks zijn nederlaag in de Slag bij de Standaard in 1138.

David I is een heilige van de katholieke kerk, met zijn feestdag gevierd op 24 mei. David I trouwde met Maud de Huntingdon, een telg uit het Schotse adelijk geslacht Huntington, dat direct afstamde van Zweedse koningen roemruchte Vikingleiders als Ragnar “Lodbrok” Sigurdsson en Bjorn “Ironside” Ragnarsson.
Mathilde de Huntingdon
Siward De Huntingdon was de vader van Waltheof (Walter) de Huntingdon, de vader van Mathilde (Maud) de Huntingdon die trouwde met David I, Prins en later Koning van Schotland.

In de tweede helft van 1113 gaf koning Henry David de hand van Mathilde van Huntingdon, dochter en erfgename van Waltheof, graaf van Northumberland. Het huwelijk bracht de “Eer van Huntingdon” met zich mee, een heerlijkheid verspreid over de graafschappen Northampton, Huntingdon en Bedford. Binnen een paar jaar schonk Mathilda hem twee zonen: Malcolm, die jong stierf, en Henry, die David naar zijn beschermheer vernoemde.
De nieuwe gebieden die David beheerste, waren een waardevolle aanvulling op zijn inkomen en mankracht, waardoor zijn status als een van de machtigste magnaten in het Koninkrijk der Engelsen toenam. Bovendien was Mathilda’s vader Waltheof graaf van Northumberland geweest, een ter ziele gegane heerlijkheid die het uiterste noorden van Engeland had bestreken en Cumberland en Westmorland, Northumberland, omvatte, evenals de heerschappij over het bisdom Durham. Na de dood van koning Hendrik blies David de aanspraak op dit graafschap voor zijn zoon, Henry, nieuw leven in.
Henry of Scotland
Graaf Henry, zoals hij soms wordt genoemd, zoon en erfgenaam van koning David I van Schotland en Mathilde de Huntingdon, had gedurende de jaren 1140 een slechte gezondheid. Hij stierf plotseling op 12 juni 1152. Zijn dood vond plaats in Newcastle of Roxburgh, beide gelegen in die gebieden van Northumbria die hij en zijn vader aan de Schotse kroon hadden gehecht in de periode van Engelse zwakte na de dood van Henry I van Engeland. Anders dan in het geval van de Engelse koning, die zonder wettige mannelijke nakomelingen was overleden, was er geen opvolgingscrisis. Dit kwam omdat graaf Henry drie zonen had achtergelaten om de afstamming van zijn vader voort te zetten. Na de dood van Henry ging het graafschap Huntingdon echter over op zijn halfbroer Simon II de Senlis.
Ada van Huntingdon
Ada van Huntingdon was de dochter van Graaf Henry. In 1162 werd ze door de abt van Egmond ten huwelijk gevraagd aan Floris III van Holland (ca. 1141-1190). Samen reisden de abt en Ada terug naar Holland, waar op 28 augustus 1162 de huwelijksceremonie plaatsvond, waarschijnlijk in Egmond. Ada kreeg het graafschap Ross in de Schotse Hooglanden als huwelijksgeschenk.

Ada was niet actief betrokken bij het bestuur van het graafschap Holland, maar werd af en toe genoemd in documenten. Floris, haar man, was een trouwe bondgenoot van keizer Frederik I van het Heilige Roomse Rijk en trok vaak met hem ten strijde.
Ada overleed na 1206 en werd waarschijnlijk begraven in de abdij van Middelburg, waar zij al £64 aan had geschonken.