Aleid van Holland was de moeder van Gwijde (Guy) van Avesnes, de vader van Maria van Avesnes. Maria trouwde met Arnold van Amstel. Arnold en Maria waren de ouders van Guyote van Amstel, die trouwde met Johan I, heer van Egmond, IJsselstein, Zevenhuizen, Zegwaard, Baljuw van Kennemerland en West-Friesland, stadhouder van Holland.
 

De Heren van Egmond

Het Huis Egmond (ook wel Egmont) ontstond in een abdij in Egmond, de Sint-Adelbertabdij, die gesticht werd door Dirk I, graaf van Holland.

Het huis van Egmond is een adellijk geslacht voortgekomen uit de advocati (voogden) van de abdij. Als stamvader kan Dodo I van Egmont worden beschouwd.

De oorsprong van dit Hollandse geslacht ligt in het feit dat de leden van het huis optraden als voogd en dus beschermer van de abdij van Egmond. De ligging van de abdij en het gebied van de heren van Egmond in het uiterste noorden van het graafschap Holland zorgde ervoor dat de leden uit het huis Egmond betrokken werden bij de strijd van de graaf met de West-Friezen. Deze strijd zorgde voor verliezen, maar droeg uiteindelijk door aanhoudend succes bij aan de opkomst van het huis Egmond als een vooraanstaande familie in de Nederlandse geschiedenis. Voor hun steun aan de graven van Holland werden de Egmonds beloond met verschillende bezittingen in het veroverde West-Friesland, zoals de heerlijkheid Warmenhuizen en Harenkarspel, die geruild werd met Floris de Voogd voor de heerlijkheden Oudkarspel, Oterleek en de heerlijkheid Spanbroek.

In 1283 werd Willem II van Egmond door Floris V van Holland benoemd tot heer van Egmond. Vanaf dit moment waren de Egmonts niet meer ondergeschikt aan de abdij, maar aan de graaf van Holland. Door een goede huwelijkspolitiek en erfenissen wisten de Egmonds de bezittingen in de Nederlanden steeds verder uit te breiden, waardoor ze een van de rijkste families van de Nederlanden werden. Zo erfde Jan I van Egmond in 1363 door zijn huwelijk met de dochter van Arnold van IJsselstein de Baronie IJsselstein. Ook voor bewezen diensten kregen het huis Egmond de nodige bezittingen toegewezen. Arnold van Egmond kreeg in 1398 de heerlijkheid Ameland in zijn bezit voor bewezen diensten aan de Graaf van Holland. Toen  het Huis van Arkel in 1428 uitstierf kwam ook een deel van diens bezittingen aan het huis Egmond. Het huis Egmond speelde een grote rol in de Hoekse en Kabeljauwse twisten waar ze aan de zijde van de Kabeljauwen vochten.

Net als de Graven van Holland stamde Jan I van Egmond direct af van de Friese Koning Redbad (Radboud): Radboud, koning van Friesland en eerste heer van Egmond, was de vader van Wolbrant I, de derde heer van Egmond. Hij had de heerschap overgenomen van zijn overleden broer Garbrant, de tweede heer van Egmond. Wolbrant was de vader van Radbout II, vierde heer van Egmond, de vader van Dodo I, vijfde heer van Egmond, de vader van Walengier I, zesde heer van Egmond.
 

Gezicht op Egmond aan Zee, Claes Jansz. Visscher (II), 1615 – 1618
 

Walengier I Van Egmont

(Overleden 2 januari 1016) was de zesde heer van Egmond en zoon van Dodo I van Egmont en Kornelia van Brunswijk.

Hij stichtte het dorp Egmond aan Zee. Mogelijk was dit al door vissers bewoonde nederzetting. Hij bouwde er een kerkje ter ere van St. Anna en zo verkreeg deze nederzetting de dorpsstatus.
Zijn eerste huwelijk was met Katharina, de dochter van de hertog van Gloucester. Nadat hij haar op 27 augustus 1004 op overspel betrapte, doodde hij haar en haar minnaar en begroef beiden in het bos naast het slot op de Hoef, dus in ongewijde grond. Hij woonde op het rondeel te Egmond op de Hoef.
Hij trouwde vervolgens met Helena van Brandenburg (overleden 22 juli 1027).

Kind uit het eerste huwelijk: Ghibert (door zijn vader in een klooster geplaatst, later domproost te Utrecht).

Kind uit het huwelijk met Helena van Brandenburg: Dodo II van Egmont.

Dodo II van Egmont


Overleden 10 maart 1074. Zevende heer van Egmond. Zoon van Walengier I van Egmont en Helena van Brandenburg.
Toen zijn vader in 1016 overleed, was Dodo II waarschijnlijk nog minderjarig omdat zijn moeder als Amazone en in manskleren met hem meevocht tijdens de inval van de Westfriezen in Kennum.

Hij was gehuwd met Appolonia van Limburg, dochter van Walram I van Limburg en Jutta van Luxemburg.

Kinderen uit dit huwelijk:

  • Beerwout I van Egmont.
  • Perinne (Petronella) van Egmont.
  • Oktrude (Geertruida) van Egmont.

Beerwout I van Egmont

(ca. 1050 – 1096) Achtste heer van Egmond. Zoon van Dodo II van Egmont en Appolonia van Limburg.

Beerwout had een belofte aan de abt Stephanus van Gendt, hoeder van de abdij van Egmond gedaan om met de Eerste Kruistocht mee te gaan, om zo de zonde van zichzelf en zijn voorvaderen te doen vergeten. Bij terugkomst had de abt zijn pacht van zes tienden tot heerlijkheid laten verklaren en tevens de erfrechten schriftelijk vast laten leggen. Hij werd opgevolgd door zijn zoon Beerwout II van Egmont.

Hij was gehuwd  met Eleonora van Oostervant, mogelijk een zuster van Anselm I, graaf van Oostervant, erfburggraaf van Valenciennes en heer van Ribemont. Zij overleed op 3 juni 1091.

Kinderen uit dit huwelijk:

  • Beerwout II van Egmont.
  • Steven van Egmont, vijfde abt van Egmond, overleden op 3 januari 1105.

Beerwout II Van Egmont

(circa 1094 – 1158) Negende heer van Egmont. Zoon van Beerwout I en Eleonora van Oostervant.

Beerwout zette het werk van zijn vader Beerwout I van Egmont voort door de eerste Donjon te bouwen bij het slot aan de Hoeven. Hij mag dan ook als eerste bewoner genoemd worden van het slot. Beerwout lag diverse keren in conflict met de naburige abdij over betalingswijzen, om het dispuut te doorbreken werd Beerwout zelf tot rentmeester benoemd van de abdij.

Hij was getrouwd met Rosamunde van Vlaanderen, mogelijk een dochter van Robrecht II, graaf van Vlaanderen  en Clementia de Bourgogne,  met wie hij minstens twee zonen kreeg.

Kinderen van Beerwout en Rosamunde:

  • Allard van Egmont (1130 – 1168) opvolger
  • Dodo van Egmont (1131 – 26 november 1200) 

Allard van Egmont 

(ca. 1130 – Schoorl, 1168),  was ridder en elfde heer van Egmont. Zoon van Berwout II en Rosamunde van Vlaanderen.

Zijn vader Berwout II was begonnen met de bouw van een kasteel, Slot op den Hoef, ook Kasteel Egmond genoemd. Na zijn vaders dood bouwde Allard verder aan het slot. In 1168 trok Allard samen met andere Hollandse edelen ten strijde in een strafexpeditie tegen de West-Friezen, in naam van Graaf Floris III van Holland. Hij verbrandde het kasteel van Schagen. Bij Schoorl werden de Hollanders in een hinderlaag gelokt door de West-Friezen. Negen ridders, waaronder Allard, sneuvelden.

Allard was gehuwd met Antonia van Henegouwen, dochter van Boudewijn IV van Henegouwen en Aleidis van Namen.

Met haar kreeg hij minstens twee zonen:

  • Wouter van Egmont
  • Allard van Egmont, hij werd heer van Buren.

Na het sneuvelen Allard, de elfde Heer van Egmond, in 1168 werd diens broer Dodo III tot aan zijn dood zaakwaarnemer van zijn minderjarige neef Wouter I. Dodo III wordt dan ook de tiende heer van Egmond genoemd.

Wouter van Egmont

Allard was de vader van Wouter I (ook Beerwout III genoemd), de twaalfde heer van Egmont.

Wouter streed onder Willem I van Holland in de Loonse Oorlog (1204 – 1205) tegen Lodewijk II van Loon. Tijdens deze oorlog werd zijn Kasteel Egmond verwoest waarna hij samen met Allard Baniaert, heer van Beverwyck een aantal Kennemerse divisies leidde, hij kreeg tijdens deze periode de bijnaam “De kwade”. Na de oorlog begon hij aan de wederopbouw van zijn kasteel. Hij bleef net zo als zijn voorvaderen in conflict over betalingswijzen met de Abdij van Egmond, die hem ook als bijnaam “Kwade Wouter” gaven.

Wouter huwt met Mabelia van IJsselmonde. Geboren rond 1150 te IJsselmonde. Dochter van Hugo van IJsselmonde.

Kinderen:

  • Aarnout van Egmont
  • Gerard van Egmont,  dertiende heer van Egmond 
  • Wouter II van Egmont,  veertiende heer van Egmond 
  • Willem I van Egmont  vijftiende heer van Egmond  
  • Halewine van Egmont Sybrant van Egmont.

Willem I van Egmont 

(ca.1180 – Elbe, 17 mei 1234), dertiende heer van Egmont. Hij was een zoon van Wouter van Egmont en Mabelia van IJsselmonde. Hij werd op 28 augustus 1215 tot rentmeester of voogd van de Sint-Adelbertabdij benoemd, dit deed hij tot 1221.

Hij liet in 1227 een kapel bouwen bij het slot aan de hoeven. Hij was onder de aanzienlijke edelen ten tijde van de graven Willem I en Floris IV, was evenals zijn vader advocatus der abdij en werd in 1227 door de abt met verschillende goederen beleend, zodat hij blijkbaar de leenheerschappij der abten erkende, al twistte hij ook langdurig met hen over rechten, die hij aan zichzelf ontleende.

In het voorjaar van 1234 trok hij mee met Floris IV van Holland als vazal om de stedingers een halt toe te roepen, in een van de veldslagen nabij de Elbe werd Willem gedood. Zijn lichaam werd teruggebracht en begraven in het slotkapel in Egmond aan den Hoef.

Willem was gehuwd met Badeloch van Haarlem, waarmee hij minstens een zoon had: Gerard van Egmont.

Gerard van Egmont

(ca. 1200 – Candia, 25 december 1242), veertiende heer van Egmont. Gerard was een zoon van Willem I van Egmont en Badeloch van Haarlem. Hij volgde in 1234 zijn vader op als heer van Egmont.

Gerard was een vroom man, hij liet de slotkapel wijden door de abt van Egmond in 1229 en ondernam tweemaal een tocht naar het Heilige Land. Bij zijn terugtocht in 1242 overleed hij in Candia op het eiland Kreta.

Over de echtgenote van Gerard bestaat onzekerheid. In bronnen wordt gesproken over Beatrix van Haarlem (een halfzuster van Badeloch, Gerards moeder), maar ook over Mabelia, over wie verder niets bekend is. Van Gerard zijn twee kinderen bekend:

  • Willem II van Egmont.
  • Sophia van Egmont.

Willem II van Egmont

Hij volgde in 1242 zijn vader op als heer van Egmond. Omdat hij op dat moment nog niet meerderjarig was, stond hij tot 1248 onder gezag van een regent, zijn achterneef Wouter “Stoutkind” van Egmont.

In 1258 stond hij de ambachtsheerlijkheden Oterleek, Oudorp, Oudkarspel, Spanbroek en Wadeweij af aan Floris de Voogd, oom van graaf Floris V van Holland, in ruil waarvoor hij het heerlijkheid Warmenhuizen in leen kreeg. Hij breidde zijn gebied ook uit door aankopen, onder meer van Huisduinen. Hij nam in 1282 deel aan een veldtocht van Floris V naar Friesland.

In de zomer van het jaar 1283 werd door graaf Floris V van Holland de heerlijkheid Egmont tot vrije hoge heerlijkheid verklaard. Dit betekende dat Willem II van Egmont leenheer was geworden van de graaf van Holland en niet meer van de abdij van Egmont. Na de moord op Floris V in 1296 begeleidde hij de nieuwe graaf Jan I van Holland op een tocht naar Engeland, waar Jan ging trouwen met een dochter van de Engelse koning.

Willem was gehuwd met Ada van Brederode (ca. 1223 – 20 januari 1297). Het echtpaar had twee kinderen:

  • Gerard (II) (1260?-1300), gehuwd met Elisabeth van Strijen
  • Halewina.

Willem II van Egmond, Had ook een buitenechtelijke relatie met Mabilia de Wael (1250) waar hij 1 bastaardzoon van had, Jacob de Wael (1280)

Zijn vrouw Ada overleed in 1297 en zijn zoon Gerard in 1300. Bijgevolg werd hij na zijn overlijden in 1304 als heer van Egmont opgevolgd door zijn kleinzoon, Willem III.

Gerard II van Egmont

Gerard II overleed op 18 mei 1300, dus vóór zijn vader, waardoor hij formeel geen heer van Egmond is geworden alhoewel hij wel in de reeks als achttiende heer wordt opgenomen. Hij was een zoon van Willem II van Egmont en Ada van Brederode.
Hij was gehuwd met Elisabeth van Strijen (Strienen) die op 16 december 1297 overleed. Zij was een dochter van Willem II van Strijen en Elisabeth van Arkel.

Kinderen uit dit huwelijk:

  • Willem III van Egmont 19e heer van Egmond. Hij overleed op 3 juli 1312. Hij was getrouwd met Margaretha van Blanckenhem die in 1312 overleed. Zij waren kinderloos.
  • Wouter II van Egmont.
  • Nikolaas van Egmont, getrouwd met Elisabeth van Heemskerk.
  • Jan van Egmont, overleden in 1312.
  • Aleid van Egmont, overleden in 1311. Zij was getrouwd met Jacob van Lichtenberg, overleden in 1304.
  • Sophia van Egmont.
  • Gerard III van Egmont. Een aantal bastaardtakken pretenderen van Gerard III van Egmont af te stammen.

Wouter II van Egmont 

(1283 – 3 september 1321) was heer van Egmont. Hij is een zoon van Gerard II van Egmont en Elisabeth van Strijen. Hij volgt zijn kinderloze broer Willem III van Egmont op als heer van Egmond.


Van Egmond huwt met Beatrijs van Doortogne, een kleindochter van Dirk I van Brederode. Ze krijgen vijf kinderen:

  • Gerrit (=Gerard) van Egmond ± 1320-1398
  • Jan I van Egmont (ca. 1310-1369), zijn opvolger als heer van Egmond.
  • Wouter van Egmond ± 1314-????
  • Yda van Egmond ± 1317-1366
  • Sophia van Egmond ± 1319-????

Jan I van Egmont

Jan (Johan) I van Egmont was een zoon van Wouter II van Egmont en Beatrijs van der Doortoge. Hij wordt in 1328 voor het eerst genoemd als hij deelneemt in de Slag bij Kassel, en  graaf Willem III naar Vlaanderen vergezelt om de graaf van Vlaanderen tegen de oproerigen uit Brugge en omstreken te helpen. Jan krijgt door middel van huwelijk de heerlijkheid IJsselstein toegewezen en erft dit als zijn schoonvader Arnold van IJsselstein in 1363 overlijdt. In 1343 werd hij met anderen aangewezen om, tijdens de afwezigheid van de graaf, het land te besturen. Hij krijgt in 1344 de burcht Nuwendoorn (bij Eenigenburg) bij zijn bezittingen toegewezen. Van Egmont neemt deel aan de derde veldtocht van Willem IV van Holland naar Pruisen en is ook betrokken bij het Beleg van Utrecht in 1345 maar ontkomt (is blijkbaar niet aanwezig) aan de noodlotige slag bij Warns (1345). Hij is in de volgende jaren een belangrijke schakel in de politiek van Holland.

Jan I van Egmont

Jan is in 1350 een van de hoofdondertekenaars van de Kabeljauwse verbondsakte die de Hoekse en Kabeljauwse twisten zou inluiden. Hij is aanwezig bij de Slag bij Naarden (1350) en vocht ook mee bij de Slag bij Zwartewaal, ook wel de Slag op de Maas genoemd. Jan van Egmont werd vervolgens naar Engeland gestuurd om te bemiddelen in het geschil tussen Margretha van Beieren en Willem V van Holland, dit wordt echter niet opgelost. Hij vervolgt (terug in Nederland) met een krijgstocht tegen de burgers van Bunschoten, hervatte, na de winter van 1356 de oorlog door het kasteel van Nyevelt op last van de graaf te belegeren, na zeven weken nam hij het in, waardoor de oorlog tot een einde kwam.

In 1356 wordt hij door Willem V van Holland tot stadhouder benoemd van het gebied boven de Maas, dit stadhouderschap oefende hij uit tezamen met zijn broer Gerrit. Hij nam, nadat Willem V krankzinnig was verklaard, zitting in de ministriaal van Albrecht van Beieren, bij wie hij in 1358 als raad voorkomt.

In 1359 tekende hij als een der hoofdmannen der Kabeljauwse partij de zoenbrief met Delft (1359). Tot zijn dood bleef hij in de omgeving van de graaf. Hij werd in de kerk te IJsselstein begraven.

Jan I huwde met Guyote van IJsselstein, bij wie hij minstens twaalf kinderen had:

  • Willem van Egmond, heer van Zevenhuizen en Zegwaard en schout van Delft, trouwde met Machteld van Hemert
  • Arnold, heer van Egmond
  • Jan van Egmond, was gehuwd met Johanna van Raaphorst
  • Gerrit van Egmond
  • Albrecht van Egmond, kanunnik te Utrecht
  • Beatrix van Egmond, was gehuwd met Gijsbert heer van Vianen
  • Baerte van Egmond, was gehuwd met Gerard I van Culemborg
  • Maria van Egmond, trouwde met Philips IV van Wassenaer
  • Catharina van Egmond
  • Antonia van Egmond, abdis te Den Bosch
  • Elisabeth van Egmond
  • Griete van Egmond.

Arend I van Egmont

(ca. 1337 – 9 april 1409) Ook wel Arnoud of Arend III van IJsselstein was heer van Egmond, Heer van IJsselstein, van Zegwaard en militair.

Hij was de oudste zoon van Jan I van Egmond en Guyote van IJsselstein. Van Egmond zat vanaf 1372 in de ministriaal van Albrecht van Beieren. Hij nam in 1396 deel aan de veldtochten tegen de West Friezen en kreeg in 1398 de heerlijkheden van Ameland en De Bilt toebedeeld. Van Egmond kreeg het bevel over de Hollandse troepen die Friesland moesten stabiliseren. Hij leefde in onmin met graaf Willem VI van Holland vanwege zijn Kabeljauwse gezindheid.

Arend heeft veel bijgedragen aan de stedelijk ontwikkeling van IJsselstein, zo gaf hij omstreeks 1390 de opdracht de stad te ommuren. Ook heeft hij de Nieuwpoort laten bouwen en de “Singelgracht” laten uitbreiden en uitgraven met een militaire functie voor ogen, zoals zich kunnen verdedigen tegen bedelaars en rondtrekkende soldaten bendes. Bij deze stadsuitbreiding wilde hij rijke kooplieden en mensen die een ambacht uitoefende naar zijn stad lokken, want die konden het “poorter recht verkrijgen” uitgevaardigd op 25 juni 1391 op “Sint Lebuinsdach” een veiligheids waarborging voor nieuwe inwoners. Daarbij bouwde hij bij de Nieuwpoort een monnikenklooster “der Cistercienerorde”, dit alles tussen 1390-1394.

Arend Van Egmond huwde met Jolanda van Leiningen, met wie hij minstens twee zonen kreeg:

  • Jan II, Heer Van Egmond.
  • Willem van Egmond.

Jan II van Egmont

(1385-1451) bijgenaamd “Jan met de bellen” was heer van Egmont en IJsselstein, ambachtheer van Breul en van Hoogeveen, voogd van Gelre.

Hij was een zoon van Arend van Egmont en Yolanda van Leiningen. Jan wordt voor het eerst vermeld in 1405, als hij wordt gevraagd voor een bijeenkomst in Hagestein. Hij volgde zijn vader op in 1409 als heer van Egmont. Jan II van Egmont werd ook wel Jan met de bellen genoemd, wat sloeg op de belletjes op zijn harnas. De man was een vurige Kabeljauw en dus een vijand van Willem VI en Jacoba van Beieren. Hij verloor zijn landgoederen in de Arkelse oorlog en maakte zich na de dood van Willem VI meester van IJsselstein.

In het voorjaar van 1417 verraste Jacoba van Beieren met behulp van Hollandse en Stichtse troepen hem, met het beleg van IJsselstein. Na een kort beleg werd bij het verdrag bepaald dat alle muren en poorten geslecht moesten worden en de komende 13 jaren geen ommuringen mochten worden gebouwd en daarbij moest Jan II van Egmont de gravin Jacoba erkennen onder vernederende voorwaarden. Jan II is daarna naar Brabant gevlucht, waar hij met mede Kabeljauwse ballingen in het najaar het beleg van Gorinchem begon. Hij wist te ontsnappen nadat zijn medebroeders verslagen waren binnen Gorinchem. Voor zijn zoon Arnold voerde hij het voogdschap als hertog van Gelre. Jan van Egmont was van 1423 tot 1433, regent van het hertogdom Gelre. Om dit te mogen doen, sloot hij een onderpand af voor de leningen verstrekt aan Jan van Beieren en Filips van Bourgondië. Daarvan kreeg hij de heerlijkheid Leerdam. Hij was gehuwd met Maria van Arkel, dochter van Jan V van Arkel en Johanna van Gulik.

Door het huwelijk tussen Jan en Maria, verkregen ze van Reinoud IV van Gelre 6000 franse kronen als huwelijksgift.

Kinderen:

  • Arnold, Hertog van Gelre.
  • Willem II, Heer van Egmond.

Willem IV van Egmont 

(26 januari 1412 – Grave, 19 januari 1483) Willem, ook wel Wilhelm IV genoemd, was heer van Egmond, IJsselstein, Schoonderwoerd en Haastrecht, ambachtsheer van Hoogeveen en stadhouder van Gelre. Willem was een zoon van Jan II van Egmont en een jongere broer van Arnold van Egmont, hertog van Gelre.

Willem die in 1444 van zijn broeder de heerlijkheid Mechelen had gekregen, moest deze in 1459, nadat er een twist was ontstaan over de rechtmatigheid van het bezit, overlaten aan de maarschalk van Brabant, Jan heer van Wesemael, die Mechelen bij zijn dood (1462) aan Karel de Stoute naliet. Hij ging met zijn broers samen met een groot gevolg naar het Heilige land(1458-1464) en werd op deze reis te Rome door paus Pius II plechtig ontvangen. Hoewel hij in 1452 tot raadsheer bij het Hof van Holland was benoemd, verbleef hij meestal in Gelre, waar hij zijn broer steunde in zijn conflicten met diens zoon Adolf van Egmont. Nadat Adolf zijn vader had opgesloten, voerde Willem de pro-Bourgondische partij aan.Toen de Bourgondische hertog Karel de Stoute in 1473 de macht in Gelre verwierf, benoemde hij Willem tot stadhouder. Deze voelde zich echter te oud voor het ambt. Later zou zijn gelijknamige zoon eveneens stadhouder worden van Gelre. In 1477 nam Maria van Bourgondië Willem op in haar Grote Raad. Heer Willem was in 1478 op het kapittel te Brugge ridder van het Orde van het Gulden Vlies gemaakt.

Willem was op 22 januari 1437 in het huwelijk getreden met Walburga van Meurs, vrouwe van Baer en Lathum, dochter van Frederik van Meurs en Engelberta van Kleef. Uit het huwelijk werden, naast vier dochters, ook drie zonen geboren, die allen belangrijke functies zouden bekleden in dienst van het Bourgondisch-Habsburgse huis:

  • Jan III graaf van Egmont 
  • Frederik van Egmont, graaf van Buren 
  • Willem van Egmont jr., stadhouder van Gelre
  • Anna van Egmont, trouwde op 14 augustus 1459 met Bernard van Bentheim (1435 – 28 november 1476), graaf van Bentheim Elisabeth (?-1539), trouwde met Gijsbrecht van Bronckhorst Walburgia van Egmont, non te Renkum
  • Margaretha, trouwde met Johan van Merode en na diens dood met Godert Torck

Naast de kinderen uit zijn huwelijk had van Egmont nog meerdere kinderen bij verschillende vrouwen:

  • Nicolaas van Egmond, werd gevangen op het Valkhof 1478-1481 tezamen met zijn halfbroers Frederik en Willem.
  • Hendrik van Egmond, wiens moeder  Aleid van Kreijnck, vrouwe van Baeck  was.
  • Baertgen van Egmond (1430 – 1508)
  • Frederik van Egmond
  • Hendrika van Egmond, zij trouwde met Willem van Tuyl van Bulckesteijn (-1449).

Jan III van Egmont

Geboren in Hattem, 3 april 1438 – Egmond, 21 augustus 1516. Jan III, bijgenaamd “Manke Jan”, was heer van Egmond, heer van Baer, Lathum, Hoogwoude en Aarstwoude en heer van Purmerend, Purmerland en Ilpendam.

Hij was ook stadhouder van Holland, Zeeland en West-Friesland. Hij was de eerste persoon in die deze functies uitvoerde onder de Habsburgers. Voorheen vielen deze functies onder het gezag van de Bourgondiërs.

Jan was de oudste zoon van Willem IV van Egmont en Walburga van Meurs. Net als zijn vader steunde Jan van Egmont de Bourgondisch-Habsburgse vorsten in de strijd om het hertogdom Gelre. Toen de Bourgondische hertog Karel de Stoute in 1473 de macht in Gelre verwierf, stelde hij Jan aan als baljuw van Zutphen. In 1474 werd hij tevens tot baljuw van West-Friesland benoemd. Eind juni 1474 werd hij bovendien gouverneur van Arnhem.

Omwille van zijn leiderschap van de Kabeljauwse factie werd Jan op 5 augustus 1483 door Maximiliaan I van Oostenrijk aangesteld als stadhouder van Holland, Zeeland en West-Friesland, een functie die hij bleef vervullen tot 19 november 1515, de datum waarop hij ontslag nam.

De goede verstandhouding met het Habsburgse huis bleek ook uit het huwelijk dat Jan in 1484 aanging met Magdalena van Werdenburg, een nicht van Maximiliaan van Oostenrijk. In 1486 werd Jan verheven tot graaf van Egmond. Dit hield in dat de heren van Egmont vanaf dat moment geen leenman meer waren van de graaf van Holland maar als rijksgraaf direct onder de keizer van het Heilige Roomse Rijk vielen. Hij werd in 1491 gekozen als ridder in de Orde van het Gulden Vlies.

In november 1488 brak in zijn territoir een Hoekse opstand uit in navolging van het Vlaams verzet tegen het regentschap van Maximiliaan I. De Jonker Fransenoorlog breidde zich vanuit Zeeland uit naar het zuiden van Holland, waar vanuit Rotterdam plundertochten werden gehouden. Jan omsingelde de stad en zette de vaarwegen af, waarmee hij de rust in de omgeving herstelde. Toen de Hoeken ten slotte de stad ontruimden, achtervolgde hij hen naar Zeeland, waar hij hen versloeg en daarmee een einde maakte aan de Hoekse en Kabeljauwse Twisten.

In 1491 werd Jan geconfronteerd met een boerenopstand in West-Friesland. De opstandelingen hadden het voorzien op de hoge belastingen, die zij door de economische crisis niet meer konden opbrengen. Het lukte de stadhouder niet het oproer met vage beloftes te bezweren. De burgers van Alkmaar voegden zich in 1492 bij de boeren en samen veroverden ze Haarlem. Jan van Egmont riep de hertog van Saksen te hulp. Deze stuurde een leger onder Witwolt von Schaumburg, dat de West-Friezen in Heemskerk in de pan hakte. Deze episode wordt de opstand van het Kaas- en broodvolk genoemd.

Jan III had een verhouding had met een zekere Josina van Waervershoef met wie hij in 1483 een zoon kreeg genaamd Allert Jan Groot.

Hij trouwde in 1484 echter met Magdalena van Werdenburg, een nicht van Maximiliaan van Oostenrijk. Waarschijnlijk was dit huwelijk een geslaagde poging om de goede verstandhouding met het Habsburgse huis te waarborgen. Uit dit huwelijk werden tien kinderen geboren.

Hier slaan de kronieken van de familie Zwart een zijweg in. Hoewel het huis van Egmont zijdelinks familie blijft, gaat de lijn van de familie Zwart verder met Allert Jan Groot.

Allert Jansz de Groot van Egmond

Allert werd in 1483 geboren te Andijk, West-Friesland, Noord Holland, als eerste en buitenechtelijke zoon van Jan III van Egmond. Groot was oorspronkelijk zijn bijnaam die hij dankte aan zijn lichaamslengte, net als zijn grootvader Willem IV van Egmond. Zijn vader had hem erkend als “Natuurlijke zoon” en Allert Jansz Groot vond in zijn vader een goede kruiwagen.

Toch verviel de achternaam Van Egmond en kwam hij in de archieven voor met de achternaam Groot. In 1517 en 1523 bracht Allert Groot Karel V met Enkhuizer schepen naar Spanje. Bij handvest werd hij daarvoor lid van de raad of vroedschap van Enkhuizen gemaakt. Van Karel V kreeg hij als wapen “De rood en wit gemengde leeuw en baarn met twee goude olijftakken in ‘t kruis over den anderen bij zijn waepen van Egmond”. Allert was getrouwd met Geert Wiggertsdr. In 1530 stelde Allert Jansz, alias “Grote Albert” zich borg voor een meisje genaamd Gherijtje van Wijdenesse en in zijn sterfjaar 1534 verschijnt hij herhaaldelijk als weesvoogd bij de weeskamer van Enkhuizen.

Uit Allert Jansz Groot van Egmond stammen vele Enkhuizer regeringsfamilies als de Vries, Semeyns, van Loosen Buyskes.

Allert en Geertje kregen in ieder geval één zoon; Jan Allertsz Groot van Egmond.

Jan huwde Griet Freeksdr. wiens vader de grootschipper “Rijke” Frederik Simonsz. Swaert was.Hij schopte het tot burgemeester van Enkhuizen tot 1537. In 1558 is hij overgestapt naar de leer der reformatie. Toch trok hij partij voor de pastoor, heer Jan, die door de bisschop van Utrecht van ketterij werd beschuldigd. Jan reisde zelf naar de bisschop en vroeg hem: “of Jans stem ook te Utrecht was gehoord?” Zijn tussenkomst was de pastoor van nut, want de bisschop liet zijn beschuldigingin tegen hem vallen.

Jan komt in de annalen van Enkuizen voor als vroedschap 1534 en burgemeester 1539 – 1542. Hij kreeg met Griet meerdere kinderen, waaronder Sieuwert Jansz Schipper. In de archieven komt Sieuwert voor als Scipper Zyewert. Ook bij hem ging de bijnaam over in de achternaam.

Sieuwert was schepen in Enkhuizen in de jaren 1551 – 1554. De schepen was een lid (ambtenaar) van een college van oordeelvoorstellers (oordeelvinders) die op rechtszittingen van het volksgerecht (ding) hun oordeel uitspraken. Dit oordeelvoorstel werd al dan niet bevestigd door verplicht aanwezige volksgenoten. Het proces van waarheidsvinding was gebaseerd op wat de partij van de klagers en die van de aangeklaagden verklaarden en op wat volgens rechtsgewoonte de norm was. De rechters die uit deze feiten het recht ‘vonden’ (‘vonnis’) schiepen het recht, naast bestaande algemene regels. Uit het Oudsaksisch woord ‘skeppian’ ontstond het begrip schepen.  Na de Franse tijd werd de term schepen gereserveerd voor lokale bestuurders, terwijl de rechtspraak onafhankelijk werd. In Nederland kreeg de overeenkomstige bestuurlijke functie de naam assessor en later wethouder.

Sieuwert en Pietermoer kregen vier kinderen:

  • Dochter Soutjen
  • dochter Ebeltje
  • dochter Grietje
  • zoon Jacob.

Dochter Ebeltje trouwde met Albert (Abbe) Crol uit Enkhuizen. Hun zoon Albert Albertsz Crol trouwde met zijn nicht Anna Luytjes (Anna Lucas Gerrits; Anna was de dochter van Lucas Gerritsz Croonenburg. Lucas werd ook Luytje genoemd, vandaar Anna Luytjes) en hun dochter Ebeltje Alberts trouwde met Meynert Harmensz Pen.

De kinderen van Ebeltje en Meynert droegen de achternaam Crol en niet Pen. De afkomst van Meynert is niet bekend, waarom de kinderen de naam Crol droegen zal onzeker blijven.

  • Albert, een zoon van Meynert en Ebeltje trouwde met Dirkje Hendriks.
  • Hun zoon Hendrik trouwde met Trijntje Lucas.
  • Hun zoon Jan trouwde met Grietje Klaas.
  • Hun zoon Hendrik trouwde met Marijtje Gerrits.
  • Hun zoon Gerrit trouwde met Trijntje Gerrits Faber.
  • Hun zoon Hendrik trouwde met Anna Sarah van Vianen (geboren in Heerjansdam, ZH).
  • Hun dochter Gerritje trouwde met Johan Philip Zwart in Enkhuizen. Op 23 maart 1868 werd hun zoon Hendrik Zwart geboren in Enkhuizen. Hendrik was stoker. Voor elektrische machines in fabrieken of wasserijen hun intrede deden hielden stokers stoommachines draaiende. Later werd gas gemaakt door gasstokers. Voor we het gas uit de bodem haalden werd het gas geproduceerd in gasfabrieken door water en stoom in ovens door verhitte kolen te jagen.  Zij die deze ovens bedienden werden gasstoker genoemd. Hendrik trouwde met Mietje Visser, geboren 14 augustus 1866 te Hoorn, NH.

Hendrik en Mietje kregen zes kinderen:

  • Gerritje (1892-1961)
  • Johannes Philippus (1895-?)
  • Simon (1897-?)
  • Adrianus (1898-1973). Met hem kwam de familie Zwart naar Krommenie, Zaanstreek Noord Holland
  • Hendrik (1900-1963)
  • Cornelis (1908-1908)
     

Door Eric