Het geslacht van Amstel
De heren van Amstel (ook geschreven als Heeren van Aemstel) waren een middeleeuws ministeriaal en later adellijk geslacht dat het Amstelland ontgon en het rentmeesterschap voerde over leengoederen in de kerkelijke rechtsdistricten in het noorden en westen van het Nedersticht van Utrecht, eerst in naam van de bisschop van Utrecht en later de graaf van Holland.

De oorsprong van het geslacht van Amstel blijkt uit het goederenbezit van de abdij van Werden (Ruhrgebied, D.) op het oude land van Werinon/Nederhorst en Dorssen (Vreeland) ten noorden van Utrecht. In Werinon, de oudste parochie van de noordelijke Vechtstreek, bezaten de onvrije (of horige) pre-Amstels vermoedelijk dienstgoederen als vergoeding voor het beheer van de bezittingen van de abdij.
Toen de abdij van Werden haar goederen in de noordelijke Vechtstreek overdroeg aan de kerk van Sint Martinus, de domkerk van Utrecht, kwamen ook de onvrije dienstmannen van Werinon onder het gezag van de bisschop van Utrecht. Deze overdracht van goederen en dienstmannen vond plaats voor de aanvang van de grote ontginningen rond het Overmeer omstreeks 1080.
Ongeveer gelijktijdig met de aanvang van grootschalige ontginningen in de Hollands-Utrechtse laagvlakte in de tweede helft van de elfde eeuw, zal vermoedelijk ook een begin zijn gemaakt met de kleinschalige ontginningen in het gebied van Amestelle. De eerste ontginningsnederzetting in de moerassen van Amestelle van waaruit de ontginningswerkzaamheden werden geleid en later het beheer en bestuur werd uitgeoefend, is waarschijnlijk Ouderkerk geweest. Deze nederzetting werd niet gepland aan het open water van het IJ dat aan getijden onderhevig was, maar landinwaarts, aan de samenloop van de Amstel en de Bullewijk, het verlengde deel van de Holendrecht. Deze afwateringsrivieren begrensden niet alleen het te ontginnen gebied, maar vormden met hun verhoogde oeverwallen de ontginningsbases van waar de te ontginnen percelen werden uitgezet. Ouderkerk vervulde een centrumrol in Amestelle. Hier werd de oudste parochiekerk van het gebied gesticht, zetelde de organisatie van de ‘waterschap’ en het bestuur van Amestelle, werden belastingen geïnd en werd toegezien op de kerkelijke belangen van Utrecht.
Bij de instelling van het kerkelijk rechtsgebied van Amestelle (Ame = water, Stelle = verhoogde, veilige plek) had de bisschop van Utrecht een functionaris nodig om namens hem de rechtsmacht uit te oefenen en de verplichte heffingen te innen in het nieuwe dekenaat. Dat de kerkvorst omstreeks 1100 een van zijn aanzienlijke dienstmannen van het oude land van Werinon/Nederhorst met de taak van de institutionalisering van een nieuw rechtsgebied in de ontginningen van Amestelle heeft belast, lijkt dan ook vanzelfsprekend. Voor de aanstelling van Wolfgerus ‘uit Werinon’ als schout van Amestelle zijn substantiële argumenten aan te voeren. Zijn aanzienlijke herkomst, zijn aandeel in oude rechten te Werinon/Nederhorst, zijn feodaal getinte relatie tot de bisschop van Utrecht en zijn getuigen-optreden met leden van de pre-feodale adel. Waarschijnlijk is het geslacht Van Amstel dan ook afkomstig uit het gebied waar het zijn oudste rechten had, te Werinon/Nederhorst en niet uit het jongere Amestelle.
Wolfgerus, de eerste bekende ambtenaar in Amestelle of Amstelland, trad voor het eerst op in 1105 als ‘scultetus de Amestelle’ in een geschrift van bisschop Burchard van Utrecht. De maatschappelijke positie van de schout van Amestelle in 1105 blijkt met name uit de volgorde van de getuigen die optraden in de oorkonde van Burchard. Deze getuigen zijn in drie groeperingen ingedeeld. De voornaamste groep, de ‘clerici’, de proosten en kanunniken van de Utrechtse kapittels; de heren van de domkerk, van Sint Bonifatius, van Sint Pieter, van Sint Marie en van Sint Jan, alsmede de kapelaan van de bisschop en een aantal pastoors uit het bisdom. Onmiddellijk na hen volgden de dienstmannen van de bisschop, te weten Otto en Galo, respectievelijk burggraaf en stadsschout van Utrecht, daarna Ansfridus, schout van Muiden en Wolfgerus, schout van Amestelle. Vanwege het feit dat de ‘servientes episcopi’ in de lijst van getuigen worden vermeld vóór de vrije mannen uit Houweningen en Sliedrecht, die volgens de akte in een geschil waren betrokken, blijkt de aanzienlijke status van de burggraaf en de bewuste schouten van Utrecht, Muiden en Amestelle.
In 1118 neemt Wolfgerus zitting in de tienkoppige ministeriaal van de bisschop van Utrecht en heeft een stem in de werkzaamheden die plaatsvinden in Amestelle. Aan het einde van zijn leven bezat hij diverse landgoederen en schouttitels aangeduid als Villicatio dat zich bevond tussen Kennemerland en IJsselstein.
Wolfgerus Van Amstel
(ca.1075 – 1131) was dienstman en ministeriaal van de bisschop van Utrecht en vermoedelijk de eerste schout van Amestelle. Omdat hij in ieder geval op 7 juli 1126 optrad als ‘Wolfgerus de Amestelle’ en niet meer als ‘scultetus (schout) de Amestelle’ is hij waarschijnlijk de stamvader van het geslacht van Amstel. De toevoeging van het toponiem ‘Amestelle’ aan zijn doopnaam duidt op het bezit van dienstgoederen en mogelijk allodiale goederen in Amestelle en in overdrachtelijke zin op zijn bestuur over het bewuste ontginningsgebied. Het gebruik om zich naar zijn belangrijkste bezittingen of residentieplaats te noemen ontstond in het laatste kwart van de elfde eeuw.
Met uitzondering van drie bewaard gebleven getuigenvermeldingen zijn geen concrete gegevens over zijn herkomst, privé-leven en zijn optreden in het sociale bestel van die tijd bekend. Naar aanleiding van de vermelding dat Wolfgerus in 1105 schout van Amestelle was, mag worden verondersteld dat hij in 1105 ongeveer dertig jaar oud was en gehuwd, waaruit kan worden afgeleid dat hij omstreeks 1075 zal zijn geboren. Het exacte geboortejaar, laat staan de datum van zijn geboorte zijn onbekend, een feit dat hij met nagenoeg alle middeleeuwers van hoog tot laag gemeen heeft.
Wolfgerus van Amstel overleed tussen zijn laatste optreden op 7 juli 1126 en voor 23 augustus 1131, de vermelding van Egbert en Godfried van Amstel als leken-getuigen voor Andries van Cuijk, bisschop van Utrecht (1128-1139). Uit de oorkonde van 1131 kan niet direct worden opgemaakt dat Egbert en Godfried zonen waren van Wolfgerus.
Egbert Van Amstel
(1105 – 1172) was schout en rentmeester van Amestelle en ministeriaal van de bisschop van Utrecht van 1131 tot 1172. Uit de oorkonde van 1131 kan niet direct worden opgemaakt dat Egbert een zoon was van Wolfgerus van Amstel. Zijn vernoeming naar Amestelle doet dit wel vermoeden. Een hiervoor ondersteunend argument is dat beiden ministerialen waren, niet van een van de Utrechtse kapittels, maar van de bisschop. In de maatschappij van de ministerialiteit van het Sticht bezaten zij derhalve aanzienlijk gezag, Wolfgerus als ‘serviens episcopi’ en Egbert als ‘ministerialis Beati Martini’, de Sint Maarten, de kerk van de bisschop. Hun functie en die van de nazaten van Egbert van Amstel was die van schout/meier (maior domus) van Amestelle. Ten slotte pleit voor hun filiatie de continuïteit van het goederenbezit ‘in Amestella et in alliis justiciis in circuitu’ dat zij voor de bisschop beheerden. In 1131 waren dit de dienstgoederen in het oude Werinon/Nederhorst, dienstgoederen rond het Overmeer en dienstgoederen in Amestelle.
De bestuurlijke loopbaan van Egbert als ministeriaal begon omstreeks 1131 en viel samen met het episcopaat van drie bisschoppen, Andries van Cuijk (1128-1139), Hartbert van Bierum (1139-1150) en Godfried van Rhenen (1150-1178). Zijn vermeldingen in de oorkonden van de hoge geestelijke en wereldlijke machthebbers van de twaalfde eeuw waren een direct gevolg van zijn maatschappelijke positie als ministeriaal van de bisschop van Utrecht.
In 1131 raakt hij waarschijnlijk betrokken bij een conflict tussen het geslacht Van Cuijk en het Hollandse gravengeslacht. Op 7 oktober 1143 is hij aanwezig bij de nieuwe abdijkerk van Egmond door Hartbert, bisschop van Utrecht in aanwezigheid van Dirk IV, graaf van Holland en zijn vrouw Sophia van Reineck. Op 18 oktober 1145, deed Koenraad, koning van het Duitse Roomse Rijk twee oorkonden uitgaan. In de eerste gerechtelijke uitspraak werd Hartbert, bisschop van Utrecht, weer in het bezit van de Friese graafschappen Oostergo en Westergo gesteld. Op dezelfde dag kende de koning aan de kapittels van de Utrechtse domkerk en Oudmunster het alleenrecht toe in geval van een vacature een nieuwe bisschop te kiezen. Als bisschoppelijk ministeriaal getuigde Egbert van Amstel in beide oorkonden. Twee jaar later in 1147 trad hij op als getuige inzake de overdracht van een erfpacht te Wolphaartsdijk (Zuid Beverland) door het klooster van Sint Pieters in Utrecht aan de gebroeders Van Schingen.
- In 1156 komt een overeenkomst tot stand tussen Egbert van Amstel en het kapittel van Sint Marie, vastgelegd in een oorkonde, waarin Van Amstel wordt meegedeeld dat hij in het vervolg de grenzen van zijn dienstgoederen en die van het kapittel in de landen rond het Overmeer dient te respecteren. Bovendien diende hij de halve tiende van Weesp, die hij zich kennelijk had toegeëigend, aan het kapittel af te dragen.
- In 1159 zag Godfried van Rhenen zich wederom geconfronteerd met een opstand van zijn ministerialen. De aanleiding hiervoor was dat de bisschop, waarvan de ministerialen van het Sticht het ermee oneens waren dat deze was gekozen, hun rechten dreigde in te perken. De ministerialen organiseerden zich in een krachtig verzet tegen de bisschop en een groot aantal ging over in dienst van de graaf van Gelre in de hoop diens steun te krijgen. Na negen maanden slaagden de Duitse keizer en de aartsbisschop van Keulen erin het conflict tussen de bisschop en zijn ministerialen te beëindigen.
- In 1165 kwam Godfried van Rhenen in direct conflict met de graaf van Holland over waterstaatkundige problemen. De afwatering van de ontgonnen moerassen, die in de elfde eeuw tot stand was gekomen, gaf in de twaalfde eeuw telkens weer aanleiding tot spanningen tussen Utrecht en Holland. Om de aanvoer van Rijnwater te stagneren bouwde Holland vermoedelijk tussen 1163 en 1165 een stuwdam in de Oude Rijn, de Zwammerdam ten noordwesten van Bodegraven. Hierdoor kwam de afwatering van de Stichtse ontginningen stroomopwaarts in gevaar. De Duitse keizer kwam op verzoek van de bisschop persoonlijk naar Utrecht om de kwestie te regelen. De keizer bepaalde dat de Swammerdam diende te worden verwijderd. Afspraken over de waterbeheersing werden vastgelegd in een oorkonde en Egbert van Amestelle trad hierbij op als een van de getuigen samen met andere belanghebbenden bij de verbetering van de waterbeheersing.
- In 1169 verzoende Egbert van Amstel (en ook andere ministerialen) zich met de bisschop van Utrecht. De goederen waarvan Egbert bij voortduring had geweigerd de inkomsten aan de bisschop af te dragen tijdens conflicten worden in twee oorkonden vermeld. De oorkonde van 1169 maakt melding van Amestelle en andere rechtsgebieden in de nabijheid. Deze andere gebieden worden gevonden in de oorkonde van 1156, en betreffen het ‘voorland’ aan de Holendrecht tot aan Weesp en het Retveld – waarschijnlijk de Aertveldsepolder tussen Nigtevecht en Weesp aan de ene zijde van de rivier de Vecht en aan de andere zijde van de Vecht, Kortenhoef, in het rechtsgebied rond Overmeer. Wel hield hij de opbrengsten van het Bijlmermeerbroek en de daarbij behorende landerijen en waterpartijen.
Ondanks dat Godfried van Rhenen zijn rebellerende ministeriaal in de kerkelijke ban had gedaan wegens onrechtmatig optreden, bleef deze volharden in zijn overtredingen. Pas nadat het keizerlijke hof hem had beschuldigd van majesteitsschennis en de aartsbisschop van Keulen de opdracht gaf dit en eerdere conflicten van de kerkvorst met zijn ministerialen en edelen op te lossen, verzoende Egbert van Amstel zich geheel met de bisschop van Utrecht. Van alle dienstgoederen die hij – als ware het leengoederen – had gebruikt, deed hij onder ede afstand. Hij ontving de goederen terug voor de uitoefening van zijn rentmeesterschap en daarnaast het recht, dat na zijn dood een van zijn zonen Gijsbrecht (I van Amstel) hetzelfde rentmeesterschap volgens gewoonterecht uit handen van de bisschop zou vragen en ontvangen, op voorwaarde dat hij zich als trouw dienaar in de administratie van het bisdom zou gedragen. Het Bijlmermeerbroek en de halve tiende van Weesp, die hij wederrechtelijk in bezit had genomen, moest hij voor eeuwig en onvoorwaardelijk aan de kerk van Utrecht afstaan.
Uit bovenstaande blijkt dat de macht van Egbert sinds 1145 steeds meer toenam en dat hij zich schuldig maakte, net als vele anderen, aan wederrechtelijke toe-eigening van inkomsten en rechten van kerkelijke goederen. Uit het feit dat hij dit met dreiging van militaire middelen zo lang heeft kunnen voortzetten en in 1169 met veel moeite kon worden bedwongen, blijkt dat hij in verhouding een zeer machtig ministeriaal is geweest. Hij wist bovendien te bedwingen dat de functie van rentmeester van Amestelle en de rechtsdistricten rond het Overmeer erfelijk aan het geslacht Van Amstel kwam. De welhaast strategische rebellie en gedurfde toe-eigeningen voor 1169 door Egbert leidden dan ook tot grote voordelen voor de familie Van Amstel met de nodige consequenties voor de toekomst.
Van het privéleven van Egbert van Amstel is niets bekend. Ook de namen van zijn moeder en vrouw zijn onbekend. Vermoedelijk was hij getrouwd met een vrouw uit de beroepsstand van de minsterialiteit van Utrecht.
n 1169 wordt Gijsbrecht I als, vermoedelijk, oudste van zijn zonen genoemd en in 1172 trad Egbert op met een jongere zoon Hendrik. Het overlijden van Egbert van Amstel moet worden geplaatst op een datum tussen 24 september 1172, toen hij voor het laatst optrad en 1176, het jaar waarin Gijsbrecht I van Amstel getuigde voor Godfried van Rhenen, bisschop van Utrecht. Waarschijnlijk had Egbert ook een dochter, Margarethe (Margriet), die getrouwd was met Ernst van Wulven die ook optrad als dienstman van de bisschop (zijn vader Alfer was hoofdschout van Utrecht).
Gijsbrecht I van Amstel
(ca.1145 – tussen 1189 en 1201) was schout en rentmeester van Amestelle en ministeriaal van de bisschop van Utrecht van 1172 tot na 1189.
Gijsbrecht I was de, vermoedelijk, oudste zoon van Egbert van Amstel. Met hem begon een reeks van vier naamgenoten, die in de vaderlandse geschiedenis aan het geslacht Van Amstel zijn bekendheid hebben verleend. Volgens de overeenkomt van zijn vader met Godfried van Rhenen in 1169, volgde hij op als schout en rentmeester in het rechtsdistrict Amestelle met de daaraan verbonden vergoedingen, het dienstgoed Amestelle en de dienstgoederen in de rechtsgebieden rond het Overmeer.
Gijsbrecht I van Amstel vervulde zijn dienstambt nog voor een deel uit tijdens het episcopaat van Godfried van Rhenen en dat van Boudewijn II van Holland, bisschop van Utrecht (1178-1196). Deze was een broer van Floris III, graaf van Holland, die de Duitse keizer Frederik Barbossa steunde in zijn strijd tegen de paus en de Italiaanse steden. Hierdoor stond Floris III in hoge gunst bij de keizer en wist de verkiezing van zijn broer Boudewijn tot bisschop van Utrecht door te drukken. De Hollandse invloed in het Sticht nam daardoor tijdelijk toe.
De korte loopbaan van Gijsbrecht I wordt door slechts vijf vermeldingen gemarkeerd. In 1176 getuigt hij voor bisschop Godfried van Rhenen, en in datzelfde jaar treedt hij als bisschoppelijk ministeriaal op voor de proost van het kapittel Sint Marie in Utrecht.
Twee jaar later, in 1178, getuigde hij nogmaals voor de bisschop van Utrecht op 9 maart en op 9 april. Opmerkelijk is de inhoud van de laatste oorkonde, waarbij Godfried van Rhenen de tienden van de parochies Driel, Giessen en Woudrichem die hij zich had toegeëigend weer aan de rechtmatige eigenaar teruggeeft. Hij overleed korte tijd later op 27 mei 1178.
In 1189 wordt Gijsbrecht I van Amstel voor het laatst vermeld als getuige in een oorkonde, waarbij bisschop Boudewijn II van Holland de parochianen van Hogeland op Walcheren het recht verleent om een eigen kerk te stichten. Het einde van zijn loopbaan moet worden vastgesteld tussen 1188 en 1200, het jaar waarin zijn zoon Gijsbrecht II van Amstel in de oorkonden als ministeriaal van de kerk van Utrecht voorkomt. Mogelijk werd de loopbaan van Gijsbrecht I van Amstel beïnvloed door de morele code van de ridderschap, die de dienst aan de heer centraal stelde en de zucht naar roem en macht naar de achtergrond verwees.
Ook over het privéleven van Gijsbrecht I van Amstel is niets bekend. Vermoedelijk was ook hij getrouwd met een vrouw uit de beroepsstand van de minsterialiteit van Utrecht. Gijsbrecht had voor zover bekend vier zonen en een dochter:
- Rixa (ovl. 1252)
- Gijsbrecht II van Amstel (1175-1230)
- Diederik (ovl. 1227), kanunnik van Sint Marie, deken van Sint-Jan te Utrecht
- Egbert II (1200?)
- Egidius (1180-1227), heer van Mijnden
Gijsbrecht II van Amstel
(1175- ca.1230), zoon van Gijsbrecht I van Amstel. Hij komt voor het eerst voor met zijn broers Egbertus en Egidius in 1200, als getuige in een oorkonde van bisschop Dirk II van Utrecht. Gijsbrecht II maakte vanaf 1200 deel uit van de 10-koppige ministriaal van de bisschop van Utrecht. Hij bezat Amstelland, Muiden, Weesp, Diemen en Naardingerland. In 1224 werd hij ridder.
In 1222 wordt hij heer van Amstel genoemd en blijkens verschillende oorkonden bezat hij (rond 1224) de rang van ridder. Toen graaf Dirk VII van Holland overleed in 1203, koos Gijsbrecht de zijde van Ada van Holland, die een dispuut had met haar oom Willem I van Holland. Hij vocht dan ook mee in de Loonse Oorlog aan de zijde van Lodewijk II van Loon en Aleid van Kleef. Hij moest echter de wijk nemen en nam samen met bovengenoemden per schip een vluchtroute naar Engeland. De Kennemerse boeren waren woedend dat Gijsbrecht de zijde van Ada had gekozen, waarna ze de landerijen van Gijsbrecht verwoestten en onderwater zetten. Nadat de vrede was gesticht met de graven en bisschoppen moest de schade vergoed worden door de Kennemers. Nadat de vrede weergekeerd was, liet Gijsbrecht een nieuw slot bouwen iets dichter bij het huidige Amsterdam. Hij breidde zijn bezittingen langs vreedzame weg uit. Zo ontving hij van graaf Willem I goederen in Boskoop, van de abdij van Elten Nardinclant en in 1226 Muiden, Weesp en Diemen van de bisschop van Utrecht.
Gijsbrecht II stichtte volgens J. ter Gouw tussen 1220 en 1224 aan de monding van de Vecht het slot te Muiden, ofwel het Muiderslot. Dit slot bleef in bezit van de Heren Van Amstel totdat Gijbrecht IV gevangen werd gezet en zijn bezittingen moest overdragen aan de graaf. In 1285 werd ook het Muiderslot aan de graaf afgestaan.

Gijsbrecht was het jaar daarop aanwezig bij de Slag bij Ane in 1227. Hij trok daarbij samen met de bisschop van Utrecht en de graaf van Gelre op tegen Rudolf van Coevorden. De bisschop sneuvelde en zowel Gijsbrecht als de graaf van Gelre, Gerard III van Gelre, vielen zwaargewond in Rudolfs handen. Zij werden later weer vrijgelaten en ontvingen een vrijgeleide om bij de keuze van een nieuwe bisschop vertegenwoordigd te kunnen zijn. Hun verschijnen in zwaargewonde toestand maakte zoveel indruk, dat de kapittelheren het weldra over de keuze van een opvolger eens werden. Gijsbrecht en de graaf keerden vervolgens niet naar Coevorden terug, aangezien zij 1 oktober 1227 door de rooms-koning van hun belofte werden ontslagen, omdat Rudolf en de zijnen geëxcommuniceerd waren. Na 1243 werd niks meer van Gijsbrecht vernomen.
Gijsbrecht II kreeg twee kinderen:
- Gijsbrecht III van Amstel, die zijn vader opvolgde.
- Badeloch van Amstel (voor 1230 – na 1252), huwde met Herman V van Woerden.
Gijsbrecht III van Amstel
(ca. 1200 – ca. 1252) was heer van Amstelland. Hij was een zoon van Gijsbrecht II van Amstel.
Gijsbrecht maakte deel uit van het tienkoppige ministeriaal van de bisschop van Utrecht. Hij sloot zich in de politiek bij Holland aan, en komt ook later voor onder de ‘fideles et familiares’ van rooms-koning Willem II van Holland. Vermoedelijk is onder zijn bewind de dam in de Amstel gelegd, waaraan Amsterdam zijn naam ontleent.
Op 6 mei 1235 sluit hij een verdrag met het kapittel van Sint Marie, over een grensscheiding over tiendengronden bij Cortenhoven met als zijn getuige Egidius van Mynden. Hij is in 1247 getuige bij een overhandiging van een aantal landerijen door graaf Willem II van Holland aan een familielid te Delft. Deze landerijen worden later onder begeleiding van Gijsbrecht aan de Duitse Orde verkocht. Eind 1251 komt hij samen met boeren uit de omgeving in opstand tegen Hendrik van Vianden, de bisschop van Utrecht. Deze liet daarop Gijsbrecht aan zijn benen achter een van zijn paarden binden op (16 juni 1252), en hem zo door Utrecht en omstreken slepen tot de dood erop volgde (dit volgens Th.A.A.M van Amstel).

Volgens H. Brugmans en W.A. van Spaen werd hij juist op 16 juni van dat jaar niet ver van Utrecht door de Stichtse troepen verslagen, en met zijn bondgenoot Herman V van Woerden gevankelijk, aan het paard van de bisschop gebonden, in Utrecht binnengebracht. Op aandrang van de roomse-koning, die dezelfde dag in de stad was aangekomen, werden de gevangenen in vrijheid gesteld en werd de vrede gesloten. Vermoedelijk is Gijsbrecht nog in hetzelfde jaar overleden. Volgens W.A. Spaen overleed Gijsbrecht III tussen 16 juli en 22 november 1252.
Gijsbrecht III huwde omstreeks 1230 met Bertha (Beerta) van Oegstgeest, met wie hij enkele kinderen kreeg:
- Gijsbrecht IV van Amstel
- Arnoud van Amstel, stichter van het geslacht IJsselstein
- Willem van Amstel, proost van Sint Jan te Utrecht.
Gijsbrecht III huwde een tweede keer met een dochter van Albert van Kuyck, mogelijk Aleidis geheten, omstreeks 1240
Arnoud van Amstel
ook Arent genoemd (overleden vóór 12 mei 1291) was heer van Benschop, Polsbroek en IJsselstein. Hij wordt ook gezien als de stamvader van het geslacht IJsselstein. Hij was een zoon van Gijsbrecht III van Amstel en Bertha van Oegstgeest.
Hij wordt voor het eerst genoemd in een document uit 1267 waar hij van het kapittel van Sint-Marie te Utrecht een pacht kreeg over Achtersloot. Zijn broer Gijsbrecht IV van Amstel getuigde hierbij. Tussen 1268 en 1275 stichtte hij een kasteel bij IJsselstein, waaruit hij in 1279 werd verdreven door graaf Floris V van Holland. Hij vluchtte toen naar kasteel Vreeland, een bezit van zijn broer Gijsbrecht, maar moet dit ook overgeven aan Floris V in 1280. Hij werd daarna gevangengenomen en naar Zeeland overgebracht. Op 27 oktober 1285 werd hij met zijn broer weer vrijgelaten na een verzoening met de graaf.
In 1290 komt Arnoud nog voor in oorkondes, maar met enige zekerheid kan worden aangenomen dat hij voor 12 mei 1291 overleden is. Hij was getrouwd met ene Johanna van IJsselstein van wie hij zeker twee zoons had:
- Gijsbrecht van IJsselstein
- Arnold of Arnoud II van Benschop
Gijsbrecht van IJsselstein
Gijsbrecht van Amstel, later Gijsbrecht van IJsselstein (ca. 1260 – 1342 of 1343) was een telg uit het geslacht van Amstel. Hij was de oudste zoon van Arnoud van Amstel, heer van Benschop en Noord-Polsbroek, heer van IJsselstein en maarschalk van de bisschop van het Sticht Utrecht en Johanna van IJsselstein. Gijsbrecht erfde deze titels van zijn vader.
Gijsbrecht van IJsselstein kwam in problemen toen in 1296 enkele edelen Floris V, de graaf van Holland, wilden ontvoeren, maar zich genoodzaakt zagen de graaf te doden. Onder de samenzweerders waren Gijsbrechts oom (de door Joost van den Vondel onsterfelijk gemaakte) Gijsbrecht IV van Amstel en zijn eigen broer Arnold van Benschop; Gijsbrecht werd verdacht van medeplichtigheid. In de verwarring die door de moord was ontstaan, was de strijd tussen Holland en het Sticht opgelaaid, waarbij Gijsbrecht de kant van het Sticht koos. De Hollanders namen hem gevangen en belegerden het kasteel van IJsselstein, dat verdedigd werd door zijn vrouw Bertha. Na een jaar gaf ze zich over aan de belegeraars. Gijsbrecht was al zijn goederen kwijt. Uiteindelijk zouden ze toevallen aan de bisschop van het Sticht, Gwijde van Avesnes, de broer van de nieuwe graaf van Holland, Jan I van Henegouwen.
Hij trouwde rond 1280 met Bertha van Heukelom. Uit het huwelijk werden zeven kinderen geboren:
- Arnold
- Otto
- Herberen
- Johan
- Willem
- Agnes
- (naamloze) dochter
Hij nam de naam Van IJsselstein aan en veranderde het familiewapen, dat later ook het wapen van de stad IJselstein zou worden.

Toen in 1308 Gijsbrechts oudste zoon Arnold trouwde met Maria van Henegouwen, de dochter van Gwijde van Avesnes kreeg Gijsbrecht zijn leengoederen terug. Gijsbrecht kreeg toestemming van de bisschop om in IJsselstein een parochiekerk te bouwen. Deze Sint-Nicolaaskerk werd in 1310 ingewijd. Zo groeide onder Gijsbrechts bestuur IJsselstein uit van een kasteel met wat boerderijen tot een stad.

Gijsbrecht overleed in 1342 of 1343 en werd door zijn zoon Arnold opgevolgd als heer van IJsselstein. Hij werd bijgezet in de door zijn kleindochter Guyote van IJsselstein opgerichte graftombe van de heren van IJsselstein in de Sint-Nicolaaskerk.
Arnold van IJsselstein
(1287 – 12 februari 1363) Arnold of Arnoud, heer van IJsselstein was de tweede heer van IJsselstein, Stoutenburg en schout van Amersfoort en Eemland. Hij was een zoon van Gijsbrecht van IJsselstein en Bertha van Heukelom. Vanaf 1312 wordt hij vermeld als ridder. Tussen 1314 en 1325 bekleedde hij diverse functies in het Sticht Utrecht als schout in Amersfoort en Eemland. In 1344 volgt hij zijn vader op als heer van IJsselstein.
Hij wordt hierin erkend door graaf Willem IV van Holland. Hij heeft in 1345/48 en in 1354/57 zitting in de raad van de graaf van Holland, en wenst bij het opkomen van de Hoekse en Kabeljauwse twisten neutraal te blijven. Wenste dan neutraal te blijven door geen verbondsaktes te tekenen, steunde hij wel Margaretha van Beieren in september tot oktober 1350, toen zij haar landsgezag in Holland en Zeeland wilde herstellen. Van haar kreeg hij tolvrijheid voor de poorters van IJsselstein in de graafschappen Holland en Zeeland, echter werd hij als “persona non gratta” beschouwd door de Kabeljauwen en graaf Willem V, die hem uitzonderde bij de vrede van 15 mei 1351 met bisschop Jan van Arkel. Het was aan zijn schoonzoon Jan van Egmond te danken dat de vijandigheden met de Kabeljauwen na 1351 weg vloeide
Arnold had een grote interesse in de geneeskundige wetenschap en liet speciaal een medische bibliotheek inrichten met rustgasthuis te IJsselstein. Arnold was gehuwd met Maria van Avesnes, dochter van bisschop Gwijde van Avesnes.
Zij kregen een dochter genaamd Guyote die met Jan I van Egmond huwde. Zij volgden hem op als heer en vrouwe van IJsselstein.

Arnold en zijn vrouw werden in de Sint Nicolaaskerk te IJsselstein bijgezet in de graftombe van de heren van IJsselstein.
Guyote van IJsselstein
(? – 1373 of 1374), vrouwe van IJsselstein, ook bekend onder de naam Goudijn van Amstel, was de erfdochter van Arnold van IJsselstein. Ze staat bekend als de opdrachtgeefster van de graftombe van de heren van IJsselstein, het grafmonument voor haar ouders en grootouders in de Sint-Nicolaaskerk in IJsselstein.

Guyote van IJsselstein werd geboren als oudste dochter van Arnold van IJsselstein en Maria van Avesnes. Uit dit huwelijk werden nog twee jongere zussen geboren, Catharina en Bertha. Omdat uit het huwelijk geen zoons werden geboren, erfde Guyote in 1364 de grafelijke lenen van haar vader, waaronder het slot IJsselstein.

Guyote trouwde op 20 mei 1330 met Jan I van Egmond. Ze kregen samen naar verluidt tien kinderen, vijf dochters en vijf zonen. Hun dochter Maria van Egmond trouwde met Philips IV van Wassenaer. Na haar overlijden erfde zoon Arend van Egmond het slot en bijbehorende rechten van zijn moeder in 1374.