Radboud Der Friezen

Radboud (ook wel Radbod of Redbad) was een Friese koning of hertog die in de vroege middeleeuwen strijd voerde tegen Merovingische en Karolingische heersers (De voorouders van Hendrik Zwart). Hij wordt in kronieken en heiligenlevens genoemd als koning of hertog van Friesland en staat door christelijke-Frankische propaganda bekend als een heidense vorst die het christendom vijandig gezind was. Een vijand van de kerk was hij echter beslist niet. Zijn grote overwinning bij Keulen kon niet voorkomen dat ‘Frisia’ na zijn dood alsnog aan het Karolingische rijk werd toegevoegd.

Over Radbouds jeugd is bijna niets bekend. Ongetwijfeld werd hij geboren in een adellijke familie die een goede positie bezat in het Friese rijk. Hoewel in latere kronieken wordt beweerd dat hij een zoon van Aldgisl was, bestaat hiervoor in het bronmateriaal uit die tijd geen bewijs. Rond het jaar 680 nam hij de leiding van dat rijk over.

Met name de Frankische koningen uit het zuiden vormden een gevaar. Zij streden dikwijls met de Friezen om controle over het Nederlandse deltagebied.

Tussen 688 en 695 leed hij een aantal nederlagen tegen de Frankische hofmeier Pepijn van Herstal. Halverwege de negentiger jaren sloten Radboud en Pepijn vrede, waarbij Radboud afstand deed van Fresia citerior, het grondgebied tussen de Oude Rijn en het Zwin. De oorspronkelijke zuidgrens van Frisia, het “Friese rijk”, lag waarschijnlijk ter hoogte van de lijn tussen het tegenwoordige Gent en Brugge.

Onderdeel van deze vrede was het sluiten van een huwelijk tussen Radbouds dochter Theudesinda met Pepijns zoon Grimoald de Jongere. Van dit huwelijk is niet met zekerheid bekend of er kinderen uit zijn geboren. Mogelijk was er een zoon met de naam Theudoald.

Er bestaan aanwijzingen dat koning Radboud zich na zijn verdrijving uit Fresia citerior ophield in Kennemerland en in het benoorden de Oude Rijn gelegen deel van het Sticht Utrecht. Hij behield de macht in het Utrechtse Vechtgebied, dat deel van West-Frisia uitmaakte. Dit gebied zou door de Franken de gouw Nifterlake worden genoemd. Hij verbleef in zijn machtsgebied op een burcht Velsereburg geheten, gelegen aan de Felisena, waar Velsen naar genoemd was. Van daaruit beheerste hij zijn grondgebied, nadat hij afstand had moeten doen van de plaatsen Dorestad en Utrecht.

Hofmeier Pepijn II versloeg omstreeks 695 koning Radboud bij Dorestad en kreeg daarmee een groot deel van de regio in handen. Bij de vrede die volgde, werd bepaald dat Pepijn de gebieden ten zuiden van de Oude Rijn kreeg, en dat hij Radbouds dochter zou trouwen.

Radboud beschikte over grote kwaliteiten maar maakte vermoedelijk misbruik van de oorlogsdreiging waarin zijn land verkeerde. Zo beschuldigde hij waarschijnlijk sommige onderdanen van landverraad teneinde hun bezittingen verbeurd te verklaren en in beslag te nemen.

In 708 gaf hij opdracht om Wursing (bijgenaamd Ado of Atto, waarschijnlijk van atta, vader), een belangrijke rechter, gevangen te zetten. Wursing had familiegoederen in Naarden, Werinon, Muiden, Utrecht en Attingahem (woonplaats van Atto, Breukelen).

Kort voor Pepijns overlijden vond zijn enig overgebleven zoon Grimoald (Drogo was al in 708 gestorven) een gewelddadige dood. Op weg naar zijn zieke vader in Jupille aan de Maas, werd Grimoald, Radbouds schoonzoon, in de kerk van de heilige Lambertus in Luik door Rantgarus vermoord.

Toen Pepijn voor hij stierf de macht overdroeg aan Theudoald, Grimoalds zoon bij een concubine, kwam Karel Martel, Pepijns zoon bij zijn tweede vrouw Alpaida, in verzet, omdat hij zich gepasseerd voelde.  

De Frankische Burgeroorlog die na Pepijns dood (16 december 714) uitbrak, bood Radboud nieuwe kansen. Ragamfred, de Neustrische hofmeier van koning Childerik II zocht toenadering tot Radboud om de erfgenamen van Pepijn te kunnen weerstaan. Zij sloten een bondgenootschap, waarbij afgesproken werd dat Radboud vanuit het noorden Austrasië zou aanvallen en Ragamfred vanuit het zuiden. De Friese koning maakte zich eerst meester van Utrecht en Dorestad en voer in 716 met een vloot de Rijn op, waar hij ter hoogte van Keulen zijn leger ontscheepte. In de slag bij Keulen overwon hij de Frankische hofmeier Karel Martel en voorzien van een enorme buit keerde hij daarna weer terug. 

Winfried (Bonifatius) trof volgens zijn hagiograaf Willibald tijdens zijn reis in 716 van Londen naar Dorestad onder meer door de twist verwoeste kerken aan en bezocht Radboud in Utrecht.Hij werd ruimhartig ontvangen en mocht vrijelijk door het Friese land reizen om te zien of er mogelijkheden waren voor een toekomstige missie. Bonifatius keerde teleurgesteld naar Engeland terug, toen hij had ervaren dat hij er niets kon beginnen.

Teruggekeerd in Frisia maakte Radboud plannen om andermaal het Frankenrijk binnen te vallen, door een groot leger samen te brengen. Hij kreeg evenwel daartoe niet meer de gelegenheid, want door een ernstige ziekte getroffen stierf Radboud in de nazomer of vroege herfst van 719.De latere bisschop van Münster Altfried vermeldt in zijn Vita Liudgeri, dat nadat Radboud van het aardse toneel verdwenen was, Karel Martel Frisia ten westen van het Vlie gewapenderhand aan het Frankische rijk toevoegde.

Poppo I Van Frisia

Poppo (674-734), ook wel Bubo en Bobba genaamd, was een Friese heerser uit de 8e eeuw. Hij is na Aldgisl en Radboud de derde Friese heerser die genoemd wordt in schriftelijke bronnen. Hij wordt beschouwd als de laatste koning van Friesland, hoewel de bronnen hem alleen als legeraanvoerder (dux) noemen.

Onder Poppo hebben de Friezen tussen Vlie en Lauwers nog een korte periode vrede gekend met de Franken. Aan die toestand kwam een einde toen Karel Martel de Friezen in 733 opnieuw aanviel. Met een vloot stak hij over naar het huidige Friesland en sloeg hun terug naar Oostergo.

Het jaar daarop (734) keerde hij terug en versloeg het Friese leger geleid door Poppo in de Slag aan de Boorne, waarbij de Friese koning sneuvelde. Met deze overwinning kwam er een eind aan de macht van de Friese koningen.

Alfbard Van Frisia

Alfbard Van Frisia was de zoon van Poppo I.  Uit naam van de Frankische koning Pepijn de Korte bestuurde hij het gebied Oostergo in de tegenwoordige provincie Friesland.

Nadat de nederlaag bij Irnsum in 734 een einde had gemaakt aan het Friese Rijk, viel Friesland ten westen van de Lauwers in Frankische handen. Onder het bewind van hofmeier Karel Martel werd er een begin gemaakt met de kerstening van de heidense Friezen, waarbij de Friese adel een belangrijke rol heeft gespeeld.

Vanuit deze optiek moet ook de benoeming van Alfbard worden gezien. Hij behoorde tot de Friese elite en is naar aller waarschijnlijkheid een van de eerste bestuurders in de periode na de heerschappij van de Friese koningen. Hij speelde een belangrijke rol bij de kerstening van de Friese bevolking. Zo is bekend dat na de dood van Bonifatius in 754 er in Dokkum een kerk gebouwd werd, gewijd aan Bonifatius, waarbij Alfbard de leiding had.

Nordalah van Frisia

Alfbard had een zoon die Nordalah heette. Nordalah was een Friese graaf (comes et aduocatus Fresonum) die leefde omstreeks 800. Hij voerde het bewind over een gebied tussen het Vlie en de Medemelacha, een riviertje dat vroeger bij Medemblik in de Zuiderzee uitmondde. Waarschijnlijk was dit de gouw Wieringen (Wiron). Meer is er niet over hem bekend, behalve dat hij de vader was van Gerulf I “De oude”, graaf Van West-Frisia, Kennemerland En Holland.

Gerulf I “De oude” van Frisia

Gerulf was graaf in het westen van Frisia (het latere Holland) maar zijn wortels lagen in het noorden, in de huidige provincie Friesland.

Gerulf was aanvankelijk een vazal van Godfried de Noorman, een Deense roverhoofdman die vanaf 882 als hertog over Frisia heerste. De Oost-Frankische keizer Karel de Dikke had het kustgebied aan hem beleend om van de voortdurende Vikingaanvallen verlost te zijn.

Maar Godfried was met Frisia niet tevreden. Hij wilde ook de heerschappij over de wijngaarden langs de Moezel. Dit was slechts een voorwendsel om een gewapend conflict uit te lokken. Zijn zwager Hugo, de broer van zijn vrouw Gisla, de buitenechtelijke dochter van koning Lotharius II, zou volgens het plan Godfried te hulp komen. Hugo streefde naar het herstel van een zelfstandig Lotharingen en zou na een greep naar de macht samen met zijn zwager Godfried het bewind delen.

In 885 stuurde Godfried de Friese graven Gerulf en Gardolf als gezant naar Karel de Dikke om die eis over te brengen. De keizer doorzag de list, gaf niet toe, maar antwoordde dat hij wilde onderhandelen. Dit bleek een valstrik te zijn. Tijdens een bijeenkomst in Spijk (bij Lobith), aan de grens van zijn regnum, werd Godfried vermoord door de hertogen Hendrik van Babenburg en Everhard Saxo.

Hugo werd enkele dagen later gevangengenomen en blind gemaakt. Het is niet precies duidelijk welke rol Gerulf heeft gespeeld in dit moordcomplot. Er is wel gesuggereerd dat hij het plan had bedacht om Godfried in de val te lokken, maar waarschijnlijker is dat hij er niets van af heeft geweten en dat hij zelfs niet bij de onderhandelingen in Spijk aanwezig was.

Zeker is dat Gerulf heeft geprofiteerd van het wegvallen van de Deense heerser: hij heeft onmiddellijk de grafelijke macht in West-Frisia (het huidige Holland) naar zich toe getrokken. In 885 was hij waarschijnlijk al graaf van Rijnland en mogelijk van het hele gebied tussen Westflinge en de Maas, waar Rijnland deel van uitmaakte. Gerulf heerste zelfs over heel West-Frisia, dat wil zeggen de kuststrook tussen Vlie en Maas, met de gouwen Texel, Kennemerland, Rijnland en Maasland, en ook het graafschap Dorestat en omgeving én de gouwen Teisterbant, Lek, IJssel en Nifterlake.

Na enkele jaren werd de situatie in West-Frisia geformaliseerd. Gerulf ontving op 4 augustus 889 van de Oost-Frankische koning Arnulf van Karinthië een aantal gebieden in vol eigendom. Het betrof een gebied bij Noordwijk, tussen de monding van de Oude Rijn en “Suithardeshaghe” (vermoedelijk) bij Lisse, plus een aantal boerderijen en huizen in Teisterbant: Tiel, Aalburg en Asch en in Noord-Holland: Bodokenlo (Boekel) en Hornum (Hoorn) en ten slotte een woning in Huui (Hoei in de Ardennen?). De schenking wordt vaak gezien als een beloning van de koning aan Gerulf voor diens hulp bij het uitschakelen van Godfried de Noorman.

Het is niet bekend of Gerulf behalve zijn twee zoons Waldger en Dirk nog andere kinderen had. Zoon Waldger zal uiterlijk rond het jaar 880 zijn geboren, want in 898 pleegde hij de beruchte moord op Everhard Saxo. Hij moet toen een volwassen man zijn geweest. Dirk wordt gewoonlijk als de jongere broer van Waldger beschouwd, maar feitelijk weten we niet wie van de twee de oudste was.

Geen enkele bron vermeldt in welk jaar of op welke datum Gerulf is overleden. Zijn zoon Waldger werd in het jaar 898 nog aangeduid zonder de titel ‘graaf’, wat er op wijst dat Gerulf toen nog in functie was. In oorkonden uit 914 en 916 droeg Waldger wel de graventitel. Daarom ligt Gerulfs overlijdensjaar waarschijnlijk tussen 898 en 914. In 1983 werd in de binnenstad van Leiden een versierde grafsteen gevonden, die waarschijnlijk uit de 10e eeuw dateert, en die mogelijk van Gerulf was.

Na zijn dood werd Gerulfs graafschap verdeeld over zijn twee zoons:

  • Waldger erfde de gouwen Nifterlake, Lek en IJssel en Teisterbant.
  • Dirk I volgde zijn vader op in West-Frisia: het gebied tussen Vlie en Maas.

Door Eric