Het Graafschap Vlaanderen

“Vlaanderen”, “Vlaming” en “Vlaams” zijn afgeleid van “flâm”, een verbasterde vorm van het Germaanse “flauma”, hetgeen “overstroomd gebied” betekent. Deze etymologie lijkt de enige die taalkundig mogelijk is en klopt geografisch uitstekend. Het Vlaamse kustgebied werd tussen de 3e en de 8e eeuw tweemaal per dag overstroomd door de Noordzee.

Het graafschap Vlaanderen (Frans: Comté de Flandre of Comté des Flandres) is een historisch gebied dat aanvankelijk deel uitmaakte van West-Francië en vanaf 1464 van de (zuidelijke) Nederlanden. Het graafschap bestond van 862 tot 1795. Het graafschap Vlaanderen was een tweetalig graafschap.Het zuiden rond Rijsel sprak Frans (Frans-Vlaanderen), het noorden en de kuststreek sprak Nederlands.

Kroon-Vlaanderen behoorde door het Verdrag van Verdun (843), en zeker na het Verdrag van Ribemont (880), als enig gewest van de latere Nederlanden tot West-Francië. Vanaf het einde van de negende eeuw begon het graafschap een onafhankelijke koers te varen tegenover zijn leenheer, de Franse koning. Dat was mogelijk door de opbloeiende handel en nijverheid die een zekere welvaart bracht en voor een sterke onderhandelingspositie tegenover de koning leidde. Dit resulteerde in verschillende conflicten. Naast het Franse Kroon-Vlaanderen had de graaf van Vlaanderen vanaf 1062-1063 onder Boudewijn V van Vlaanderen ook gebieden in het Rooms-Duitse Rijk in leen (Rijks-Vlaanderen). De belangrijkste daarvan waren het Land van Aalst, de Vier Ambachten en Zeeland Bewestenschelde.

Ten noorden van de Alpen was het graafschap Vlaanderen eeuwenlang een van de meest economisch- en cultureel ontwikkelde gebieden van Europa. Een hoog percentage van de inwoners leefde reeds in steden. Lange tijd konden Brugge en Gent zich qua omvang met Londen en Parijs meten.

In de 15e eeuw werd gestart met de eenmaking van de Nederlanden. Vanaf het einde van de veertiende eeuw maakte Vlaanderen deel uit van het Bourgondische Rijk, dat na de dood van Maria van Bourgondië in 1482 aan de Habsburgers toeviel. Na een oorlog tussen Frankrijk en Duitsland onder keizer Karel V kwam Kroon-Vlaanderen formeel los van Franse kroon (Vrede van Madrid in 1525). De Pragmatieke Sanctie in 1549 vervolmaakte het eenmakingsproces van de (zuidelijke) Nederlanden.

Als gevolg van de Tachtigjarige Oorlog trad een eerst langzaam, maar steeds dieper verval in. Niet alleen was er grote schade aangericht, maar ook emigreerde een groot deel van de protestantse elite naar Frankrijk, Duitsland, Engeland en de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Vervolgens kreeg Vlaanderen ook zwaar te lijden onder de Devolutieoorlog en de Spaanse Successieoorlog. Hierdoor ging veel Vlaams gebied definitief verloren aan Frankrijk. Aan het einde van deze periode was er niets meer over van de vooraanstaande positie die Vlaanderen gedurende eeuwen in Europa had gespeeld.

Het graafschap Vlaanderen is het enige deel van het middeleeuwse Frankrijk dat vandaag geen deel meer uitmaakt van het hedendaagse Frankrijk (met uitzondering van Frans-Vlaanderen). Kleinere delen van het oude Vlaanderen maken nu deel uit van het Waals Gewest en de Nederlandse provincie Zeeland. Het overige deel van het graafschap vormt nu ongeveer 40% van het hedendaagse Vlaams Gewest.

Het huidige wapen van Vlaanderen werd ingevoerd door Filips van de Elzas: een klimmende leeuw van sabel, getongd en genageld van keel, op het gouden veld. In het verhaal van de Guldensporenslag speelt het wapen en de bijhorende strijdleuze “Vlaanderen de Leeuw!” een cruciale rol in het groeiend Vlaams zelfbewustzijn. De strijdkreet werd vooral bekend in de 19e eeuw dankzij de roman De Leeuw van Vlaanderen (1838) van Hendrik Conscience. Het is opvallend dat de leeuw als heraldisch symbool vooral gebruikt werd in de randgebieden en buurlanden van het Heilige Roomse Rijk: de ingezetenen beklemtoonden hun onafhankelijkheid tegenover de keizer, die een adelaar voerde, door een even machtig dier in het wapenschild op te nemen. De leeuw met zijn moedig karakter was in West-Europa bekend sedert de oudheid.
 

Boudewijn I van Vlaanderen

(ca. 840 – 2 januari 879), bijgenaamd “Boudewijn met de IJzeren Arm” of “Boudewijn de Goede”, staat bekend als de eerste graaf van Vlaanderen wat mogelijk was gemaakt door zijn huwelijk met Judith van West-Francië, dochter van de Karolische koning Karel de Kale. Zijn echtgenote werd als koningsdochter en gravin van Vlaanderen de bekendste vrouw in West-Europa.
 

Boudewijn I met de IJzeren arm en Judith van West-Francia, bewaard in het Grootseminarie van Brugge

van koning Æthelwulf van Wessex en  van diens zoon koning Æthelbald. Na overlijden van haar tweede man keerde ze terug naar huis waar ze onder voogdij werd gesteld. Koning Karel wilde voor Judith een derde keer een huwelijksovereenkomst sluiten op eigen voorwaarden, maar ze is uit het klooster ontsnapt met Boudewijn. Boudewijn was vaak te gast aan het Karolingisch hof en kende Lodewijk, later bekend als Lodewijk de Stamelaar, zoon van keizer Karel de Kale en broer van Judith. Lodewijk verving zijn vader in het landsbestuur toen deze op veldtocht was in een poging het graafschap Provence met geweld bij zijn rijk te voegen. Toen Lodewijk Judith in een klooster te Senlis opzocht, nam hij Boudewijn mee. Een huwelijk tussen beiden gaf Judith de kans om aan het kloosterleven te ontsnappen, terwijl Boudewijn lid kon worden van de Karolingische dynastie. Ze vluchtten naar het noorden.

Karel de Kale stuurde brieven aan Vikingenleider Rorik van Dorestad en bisschop Hunger van het Rooms-Katholiek sticht Utrecht, dat zij de vluchtelingen geen onderdak mochten geven. Karel liet het paar door bisschoppen excommuniceren. Het paar reisde via Lotharingen naar Rome en bepleitte hun zaak bij paus Nicolaas I, waarop de excommunicatie door de paus ongedaan werd gemaakt. Twee jaar lang schreef paus Nicolaas brieven naar de woedende vader, Karel de Kale, waarin hij voor verzoening pleitte.

Op 13 december 862 volgde het officiële huwelijk te Auxerre met de uiteindelijke toestemming van Karel, alhoewel hij niet bij het huwelijk aanwezig was. Als onderdeel van de verzoening kreeg Boudewijn van Karel de Kale de pagus Flandrensis (Vlaanderengouw) en de pagus Wasia (Waasgouw) als leen, het gebied rond Torhout, Gistel,  Oudenburg en Brugge.

Graaf zijn was in die tijd in de eerste plaats een militaire functie. Vlaanderen lag in een uithoek van Karels koninkrijk, in het grensgebied met Lotharingen en werd voortdurend aangevallen door de Vikingen, het werd de opgave van Boudewijn en Judith het grondgebied te verdedigen en tot een deel van het rijk te maken dat inkomsten afwierp.

Boudewijn en Judith bleken succesvol in hun opgaven, mede door een band te scheppen met de Rooms-Katholieke kerk. Boudewijn bouwde militaire versterkingen in Arras, Gent en Brugge en wist de invallen van de Vikingen te verminderen, ook door vestiging in het kustgebied toe te laten.In Brugge liet het paar een kerk bouwen die aan Donatianus van Reims werd gewijd, er werden relieken van de heilige aan de kerk geschonken. In Veurne werd een Benedictijner klooster gesticht, waaraan relieken van heilige Walburgis werden geschonken. In 870 werd het grondbezit uitgebreid en kreeg het paar heerschappij over het latere Kroon-Vlaanderen en Ternois. Hetzelfde jaar kreeg Boudewijn de functie commendatair abt van de Sint-Pietersabdij in Gent, wat militaire steun voor de kerk betekende en het graafschap inkomsten bracht.

In 877 steunde hij Lodewijk de Stamelaar in de strijd om de opvolging van Karel de Kale. Kort daarna trok hij zich terug en werd monnik in de abdij van Sint-Bertinus, waar hij ook werd begraven.

Boudewijn II Van Vlaanderen

(ca. 865 – 10 september 918), was van  879 tot 918 graaf van Vlaanderen en van 896 tot 918 graaf van Boulogne. Zijn bijnaam “De Kale” was een bewuste verwijzing naar zijn grootvader Karel de Kale en onderstreepte dat Boudewijn een afstammeling van Karel de Grote was.

In 888 steunde Boudewijn de keuze van niet-Karolinger Odo I van Frankrijk tot koning van West-Francië. Hij kreeg echter direct een conflict met Odo over de abdij van Sint-Bertinus in Sint-Omaars. Odo achtervolgde Boudewijn tot aan Brugge maar kon de stad niet innemen. Als reactie daarop trok Boudewijn nog in datzelfde jaar naar Arnulf van Karinthië – die koning van Oost-Francië was – in Worms en vroeg hem om ook koning van West-Francië te worden, maar Arnulf sloeg die uitnodiging af. Toen in 892 de abt van Sint-Bertinus overleed, wachtte Boudewijn niet op de formele procedures maar bezette de abdij.

Boudewijn was een van de edelen die in 893 de kroning van Karel de Eenvoudige, Karolinger, tot tegenkoning van West-Francië steunden maar tegelijkertijd zocht hij ook toenadering tot Zwentibold die in 895 tot koning van Lotharingen was benoemd. Door handig te opereren in het spanningsveld tussen Karel en Zwentibold wist Boudewijn zijn positie te versterken.

In 896 verkreeg hij het graafschap Boulogne. Boudewijn liet zijn broer Rudolf Péronne en de Vermandois binnenvallen, die toen net aan Herbert I van Vermandois waren toegewezen. Herbert wist Rudolf echter in een hinderlaag te doden en het Vlaamse leger werd teruggedreven.

Toen de koning in 900 bisschop Fulco van Reims, een bondgenoot van Herbert, benoemde tot abt van Sint-Bertinus, kon Boudewijn dit niet accepteren en hij liet Fulco vermoorden. Boudewijn werd daarop geëxcommuniceerd maar Karel de Eenvoudige was niet in staat om strafmaatregelen door te voeren.

Omdat de politieke situatie voor Boudewijn nu niet erger kon worden, had hij geen belemmering meer om Artesië met inbegrip van de rijke abdij van Sint-Vaast te veroveren. Ook liet Boudewijn door een sluipmoordenaar Herbert van Vermandois vermoorden. Met zijn harde en gewelddadige politiek had Boudewijn in de jaren na 900 zijn positie en die van zijn graafschap veilig gesteld. De laatste periode van zijn bewind tot zijn dood in 918 is rustig verlopen. Boudewijn werd eerst begraven bij zijn vader in de abdij van Sint-Bertinus maar werd na de dood van zijn vrouw (929) bij haar begraven in de Sint-Pietersabdij van Gent.

In 884 huwde hij Ælfthryth van Wessex (ook Aelftrud of Elfrida), dochter van Alfred de Grote, koning van Engeland van 871 tot 899, en van Ealhswith van de Gaini.

Boudewijn II had vijf of zes kinderen, maar er zijn discussies onder historici over de vraag of ze uit zijn huwelijk met Ælfthryth van Wessex geboren werden of buitenechtelijke kinderen zijn:

  • Arnulf I de Grote, graaf van Vlaanderen.
  • Adalolf (of Adelulf, Aethelwulf), graaf van Boulogne en van Terwaan, lekenabt van Sint-Bertinus.
  • Ealswid.
  • Albert.
  • Ermentrude.

Arnulf I van Vlaanderen

(ca. 889 – 27 maart 965), bijgenaamd “de Grote” was graaf van Vlaanderen van 918 tot zijn dood in 965. Na de dood van zijn vader Boudewijn II erfde Arnulf het grootste (noordelijke) deel van het graafschap, zijn broer Adalolf erfde het zuidelijke deel.

Arnulf vocht in 923 aan de kant van koning van West-Francië, Karel de Eenvoudige in de Slag bij Soissons (923)tegen tegenkoning Robert van Bourgondië.

In 924 veroverde hij samen met zijn broer Adalolf en Herbert II van Vermandois de stad Eu op Rollo, de eerste graaf van Normandië. Arnulf versloeg de Vikingen in 926 maar gaf in 928 het graafschap Guînes in leen aan de Deen Siegfried en gaf hem later zijn dochter tot vrouw.

Vanaf 930 kwam het tot een krachtmeting met Herbert II van Vermandois. Om diens expansie te beteugelen veroverde Arnulf in 931 Dowaai en Mortagne-du-Nord. In 932 verwierf Arnulf het graafschap Artesië en versterkte de Abdij van Sint-Vaast. Na het overlijden van zijn broer in 933 eigende hij zich diens graafschappen Terwaan en Boulogne toe, met voorbijgaan aan de rechten van zijn minderjarige neefjes. Hij adopteerde wel Adalolfs onechte zoon Boudewijn. In 934 kwam het tot een vrede met Herbert en trouwde Arnulf in 934 met Herberts dochter Adelheid. Dit bezegelde niet alleen een vrede maar ook een bondgenootschap tegen Hugo de Grote, zoon van Robert van Bourgondië.

Om zijn grenzen te verzekeren huwde Arnulf al zijn dochters uit aan zijn Lotharingse buren en hoge Duitse adel. Politiek koos hij steeds positie tegen de graven van Normandië en de hertogen van de Franken.

Hij voerde kloosterhervormingen door met hulp van Gerardus van Brogne en regeerde vooral met hulp van de geestelijkheid, en zo veel mogelijk zonder vazallen.

In 958 benoemde Arnulf zijn zoon Boudewijn tot medegraaf en ging hij feitelijk met pensioen (ongeveer 70 jaar oud). Nadat Boudewijn in 962 op jonge leeftijd overleed, kwamen de zoons van zijn broer Adalolf in opstand en herwonnen de graafschappen van hun vader. Arnulf sloot toen een overeenkomst met koning Lotharius van Frankrijk, zoon van Lodewijk IV van Frankrijk: in ruil voor al zijn veroveringen zou Lotharius de opvolging van zijn jonge kleinzoon in het oorspronkelijke graafschap garanderen.

Arnulf steunde nog de bisschop van Kamerijk tegen zijn opstandige stedelingen en kreeg in ruil daarvoor de kerkelijke bezittingen bij Lambres. Volgens een overlevering zou Arnulf zijn vermoord door een nakomeling van Herluinus II van Ponthieu.

Arnulf stichtte de kerk van Torhout, het Sint-Donaaskapittel te Brugge, de Sint-Janskapel te Gent en herbouwde de Abdij van Saint-Amand. Arnulf is begraven in de Sint-Pietersabdij te Gent.

Hij trouwde in 934 met Aleidis van Vermandois (ook Adelheid genoemd), dochter van Herbert II van Vermandois en Adelheid van Parijs. Omdat Arnulf ten tijde van dit huwelijk al ongeveer 45 jaar oud moet zijn geweest, is het aan te nemen dat hij al een of meer eerdere huwelijken heeft gehad waarvan geen gegevens van bekend zijn.

Dochter Hildegard van Vlaanderen huwde in 945 met Dirk II, graaf van West-Friesland. Gezien de datum van het huwelijk van zijn dochter is zij vermoedelijk een kind uit een eerder huwelijk van Arnulf, maar het kan ook zijn dat zij een dochter is van Aleidis van Vermandois. het was in die tijd niet ongewoon dat dochters op zeer jonge leeftijd trouwden.

Arnulf en Aleidis kregen de volgende kinderen:

  • Liutgard van Vlaanderen, in 955 gehuwd met Wichman IV, graaf van Hamaland.
  • Boudewijn III.
  • Hildegard van Vlaanderen.
  • Egbert.
  • Elftrude, in 950 gehuwd met Siegfried I van Guînes.

Boudewijn III van Vlaanderen

ca. 940 – 1 november 962) was medegraaf van Vlaanderen van 958 tot aan zijn dood.

Boudewijn III was de enige zoon van graaf Arnulf I en van Aleidis van Vermandois, ook Adela genoemd. Zijn vader stelde hem in 958 aan tot medegraaf, en droeg het bestuur van het zuidelijke deel van het graafschap aan hem over. Boudewijn onderkende het belang van economische ontwikkeling en bevorderde de lakenweverij en de viltvervaardiging en stichtte jaarmarkten onder andere te Brugge en Kortrijk en stichtte de stad Duinkerke. Hij overleed aan de pokken tijdens een veldtocht (onder aanvoering van Lotharius van Frankrijk) tegen Normandië.

In 961 huwde hij met Mathilde van Saksen (942 – 25 mei 1008), dochter van Herman Billung, hertog van Saksen, en Hildegarde van Westerburg. Ze kregen drie kinderen:

  • Arnulf II.
  • Johan Graaf van Conteville.
  • Bertha van Vlaanderen .

Arnulf II van Vlaanderen

Arnulf II (ca. 960 – Gent, 30 maart 988), zoon van Boudewijn III en Mathilde van Saksen-Billung, was graaf van Vlaanderen van 965 tot aan zijn dood. Zijn vader werd in 958 door graaf Arnulf I tot mederegent aangesteld, maar overleed reeds in 962. Bij de dood van graaf Arnulf I was zijn kleinzoon, de jonge Arnulf II, vier jaar.

Arnulf volgde dus in 965 zijn grootvader op, aanvankelijk onder de voogdij van de koning van Frankrijk, Lotharius, die vóór de dood van Arnulf I had beloofd dat hij ervoor zou zorgen dat de Vlaamse edelen de jonge graaf niet zouden manipuleren voor hun eigen belang, een belofte waaraan hij zich inderdaad ook zou houden. De graven Boudewijn van Kamerijk en Dirk II van Holland traden op als regenten en wisten te voorkomen dat Vlaanderen als “onbezet” leen terugviel aan de kroon.

Arnulf verloor Boulogne, Saint-Pol en Guînes aan Frankrijk, Gent en het Waasland aan Dirk II van Holland, maar keizer Otto I van het Heilige Roomse Rijk kwam tussenbeide en stopte verdere Franse veroveringen. Otto richtte de markgraafschappen Antwerpen, Ename en Valencijn op om de Franse expansie te beteugelen.

Rond 976 liet koning Lotharius de regering aan Arnulf over, maar onthield hem het gezag over de door diens grootvader veroverde gebieden Oosterbant, Artesië, Ponthieu en Amiens.

Arnulf weigerde in 987 Hugo Capet, zoon van Hugo de Grote, als koning te accepteren omdat hij als afstammeling van Karel de Grote een voorkeur had voor de karolinger Karel van Neder-Lotharingen, die ook van Karel de Grote afstamde. Nadat Hugo echter Vlaanderen aangevallen had, erkende Arnulf hem toch nog als koning. Hij overleed aan een ziekte (hete koorts), en werd begraven in de Sint-Pietersabdij te Gent.

Arnulf II was in 968 gehuwd met Rosela van Ivrea, dochter van Berengarius II van Italië, koning van 950 tot 963, en van Willa van Toscane. Arnulf en Rosela kregen de volgende kinderen:

  • Mathilde.
  • Boudewijn IV.

Boudewijn IV Van Vlaanderen

(ca. 980 – 30 mei 1035), bijgenaamd “met de Baard” was graaf van Vlaanderen van 988 tot aan zijn dood. Toen zijn vader in 988 overleed, was Boudewijn nog minderjarig en werd de autonomie van het graafschap Vlaanderen bedreigd door het koninkrijk Frankrijk, waartoe het nominaal behoorde. Een tweede huwelijk van Boudewijns moeder, Rosela, met Robert II de Vrome, zoon en opvolger van de Franse koning Hugo Capet, kon dit gevaar echter bezweren.

Bij zijn meerderjarigheid nam Boudewijn het bestuur stevig in handen: hij stelde paal en perk aan de onder zijn vader ontstane gezagscrisis in het noorden van het graafschap (Gent, Waasland, Kortrijk) en dwong bij de graven in het zuiden (Boulogne, Guînes, Hesdin en Saint-Pol) de erkenning van zijn suzereiniteit af. Boudewijn benoemde de heer van Gistel tot zeegraaf, belast met de kustverdediging.

Boudewijn verplaatste de belangstelling van de Vlaamse graven, die tot dan toe op het zuiden was gericht, naar het oosten en veroverde aanzienlijke gebieden op de rechteroever van de Schelde. In 1006 veroverde hij, samen met Lambert I van Leuven, de markgraafschappen Valencijn en Ename. Een gezamenlijke tegenaanval door keizer Hendrik II de Heilige en koning Robert II, werd afgeslagen. In 1007 veroverde Hendrik II de burcht van Gent. Uiteindelijk verzoenden Lambert I en Boudewijn IV zich in Aken (stad) met Hendrik II en trokken zij zich terug uit Valencijn. Boudewijns gebieden binnen het Heilige Roomse Rijk bleven afhankelijk van de Duitse keizer, en kregen de naam Rijks-Vlaanderen.

In 1012 werd Boudewijn beleend met Walachria-Bevelandia (Zeeland Bewestenschelde) en het gebied dat later de Vier Ambachten zou worden. Dankzij gewiekste onderhandelingen met de keizer verkreeg hij in 1015 de mark Valencijn, in ruil voor de belofte zich afzijdig te houden in het interne Lotharingse conflict tussen de Reiniers en de graven van Verdun. Het lang begeerde markgraafschap Ename in het gouwgraafschap Brabant werd hem echter niet door de keizer gegund, zelfs niet na de inname (en verwoesting) van de hertogelijke burcht te Ename in 1033/1034.

In 1028 arrangeerde hij het huwelijk van zijn zoon Boudewijn met Adela van Mesen, een dochter van Robert II, koning van Frankrijk. Na zijn huwelijk kwam Boudewijn V in opstand en Boudewijn IV moest naar Normandië vluchten. Hij nam daar Eleonora, dochter van Richard II van Normandië tot tweede echtgenote en wist met Normandische steun de opstand snel te onderdrukken (12 september 1028 te Oudenaarde). Nadien kreeg Boudewijn V wel een rol in het bestuur. In 1031 steunde Boudewijn Robert I van Bourgondië in zijn poging om koning van Frankrijk te worden in plaats van zijn broer Hendrik I van Frankrijk.

Boudewijns expansiepolitiek was duidelijk gericht op de beheersing van het Scheldebekken, waarvan hij het economisch belang begreep. Tijdens zijn bewind begon de lakenindustrie ook vaste vorm aan te nemen. Boudewijn was eigenaar van de schorren langs de kust, waar schapen werden gefokt, en hij was waarschijnlijk de eerste wolleverancier van de Atrechtse draperie. Graaf Boudewijn spande zich ook in om de godsvrede te laten respecteren in zijn graafschap. Tijdens zijn bewind kreeg Brugge de eerste stadsrechten en zou hij Rijsel hebben gesticht. Hij werd begraven in de Sint-Pietersabdij te Gent.

Uit het eerste huwelijk met In 1012 met Otgiva van Luxemburg (ca. 990 – Gent, 21 februari 1028) werden de volgende kinderen geboren:

  • Boudewijn V van Rijsel.
  • Ermengarde.
  • waarschijnlijk nog een dochter, later echtgenote van Reinier van Leuven, zoon van Lambert I van Leuven.

Boudewijn V van Rijsel en Vlaanderen

(ca. 1013 – Rijsel, 1 september 1067), bijgenaamd “de Grote” zoon van Otgiva van Luxemburg en Boudewijn IV van Vlaanderen, volgde zijn vader op in 1035 als graaf van Vlaanderen tot aan zijn dood.

In 1028 huwde hij met Adela van Frankrijk (1009 – Mesen, 8 januari 1079), dochter van koning Robert II van Frankrijk en Constance van Arles. Zij was eerder verloofd geweest met hertog Richard III van Normandië die echter in 1027 overleed.

Adela zou de drijvende kracht zijn geweest achter Boudewijns opstand tegen zijn vader, Boudewijn IV, om een groter aandeel in het bestuur te krijgen. Boudewijn IV moest naar Normandië vluchten. Hij trouwde met Eleonora van Normandië, dochter van Richard II van Normandië. Hij wist met Normandische steun de opstand van zijn zoon snel te onderdrukken (12 september 1028 te Oudenaarde). In 1030 verzoende Boudewijn zich met zijn vader en kreeg inderdaad een taak in het bestuur.

Nadat zijn vader al in 1033 de burcht Ename had vernield, sloot hij zich vanaf 1045 aan bij de rebellie van hertog Godfried II van Lotharingen. Ze plunderden de palts van Nijmegen en veroorzaakten brandstichtingen te Verdun. Daarom werd in 1047 Boudewijn zijn Duitse rijkslenen ontnomen, in het bijzonder de mark Valencijn die aan Reinier van Hasnon (vader van Richilde van Henegouwen) werd toegewezen. In 1049 sloeg keizer Hendrik III terug en dreef Vlaanderen terug op eigen bodem. Dit gebeurde nogmaals in 1054. Na het overlijden van keizer Hendrik III (1056) en als gevolg van de minderjarigheid van diens zoon Hendrik IV voerden de Lotharingse rijksedelen, aartsbisschop Anno II van Keulen en paltsgraaf Hendrik I van Lotharingen, vredesbesprekingen over de toestand van het rijk te Andernach (1056/1057 en 1059/1060).

Tussen april 1062 en uiterlijk 4 augustus 1063 verkreeg Boudewijn uiteindelijk op legitieme wijze de mark Ename. Het was een belangrijk Lotharingse markgraafschap gelegen ten oosten van de Schelde, van oudsher op de scheidingslijn tussen Frankrijk en het Duitse rijk. Hij consolideerde aldus met succes de door zijn vader ingezette politiek om als Frans vazal ook Duitse rijkslenen te verwerven. Zijn opvolgers werden aldus leenmannen van de keizer. Het betrokken Lotharings gebied wordt daarom Rijks-Vlaanderen genoemd.

Boudewijn dwong Richilde van Henegouwen, weduwe van Herman van Bergen (overleden 1051), tot een huwelijk met zijn zoon Boudewijn (VI). Door zijn toedoen werden de kinderen uit Richildis’ eerste huwelijk van hun erfrechten beroofd en lijfde hij de facto Henegouwen bij Vlaanderen in. Na de verzoening met de Duitse keizer werd ook dit wegens bloedverwantschap canoniek ongeldige huwelijk door de paus kort nadien gelegitimeerd.

Boudewijn bood in 1049 onderdak aan de verbannen Swein Godwinson, graaf van Herefordshire. In 1051 bood hij ook onderdak aan diens verbannen vader Godwin van Wessex.

Kort voor zijn dood steunde Boudewijn V nog de expeditie naar Engeland (1066) van zijn schoonzoon Willem de Veroveraar, die gehuwd was met zijn dochter Mathilde van Vlaanderen. Deze stellingname was echter niet zonder risico’s: de opkomst van het Anglo-Normandisch blok, dat voor Vlaanderen gevaarlijk kon worden, werd er niet door tegengewerkt. Een van de redenen van Boudewijns keuze was waarschijnlijk dat hij op die manier de kans zag om een deel van de dissidente adel die Willem op zijn tocht vergezelde, kwijt te raken.

Door het huwelijk van Boudewijns tweede zoon, Robrecht de Fries, met Geertrui, weduwe van de graaf van Holland, strekte de Vlaamse invloedssfeer zich over een groot deel van de Nederlanden uit. Zo groot was Boudewijns aanzien, dat hij bij de dood van de koning Hendrik I van Frankrijk (1060) voogd werd over diens minderjarige troonopvolger Filips I.

Op het binnenlandse vlak heeft Boudewijn het grafelijke gezag verstevigd door het territoriale bestuur te reorganiseren (kasselrijen in plaats van gouwen) en de bevoegdheden van de kloostervoogden in te krimpen (mede door de invloed van de kerkelijke hervormingsbeweging van Richard van Saint-Vanne). Om het dunbevolkte en ongecultiveerde centrale gedeelte van zijn graafschap beter te verbinden met de rijke steden, die zich aan de kust en de Schelde ontwikkelden, legde hij een gordel van nieuwe steden aan in Binnen-Vlaanderen: Torhout, Ieper, Mesen, Rijsel, Kassel en Ariën. Deze nieuwe stichtingen werden hoofdplaats van een kasselrij en kregen een jaarmarkt om de kooplieden aan te trekken.

Boudewijn V overleed op 1 september 1067 en werd begraven in de Sint-Pietersabdij te Gent. Na zijn dood trok zijn weduwe Adela zich als non terug in een klooster te Mesen, waar zij in 1079 overleed.

Boudewijn en Adela van Mesen, gehuwd in 1028, kregen de volgende kinderen:

  • Boudewijn VI van Vlaanderen.
  • Mathilde van Vlaanderen.
  • Robrecht I (“De Fries”) van Vlaanderen.

Boudewijn VI Van Vlaanderen

Boudewijn van Hasnon (ca. 1030 – 17 juli 1070) was vanaf 1067 als Boudewijn VI graaf van Vlaanderen. Vanaf 1051 was hij als Boudewijn I van Henegouwen reeds regent van Henegouwen.

Een deel van zijn jeugd leefde hij als gijzelaar aan het hof van keizer Hendrik III. In 1045 benoemde deze keizer hem tot markgraaf van Antwerpen, maar omdat zijn vader de opstandige hertog Godfried II van Lotharingen bleef steunen verloor hij deze titel in 1050.

In 1051 trad hij onder druk van zijn vader (en in strijd met het canoniek recht) in het huwelijk met zijn achternicht, Richilde van Henegouwen, weduwe van de recentelijk overleden graaf Herman van Bergen. Dit huwelijk maakte hem tot graaf “Boudewijn I van Henegouwen”. Zijn twee stiefkinderen werden in de geestelijke stand ondergebracht opdat zij geen bedreiging zouden vormen voor zijn nakomelingen. Bovendien zijn er aanwijzingen dat stiefzoon Rogier (1066 bisschop van Châlons-en-Champagne) een lichamelijk gebrek had. Boudewijn en Richilde werden in 1052 in de ban geslagen door de prins-bisschop van Kamerijk, maar dit werd door paus Leo IX ongedaan gemaakt.

In 1054 viel keizer Hendrik III Rijks-Vlaanderen aan. Tijdens deze oorlog belegerde Boudewijn hertog Frederik van Neder-Lotharingen in Antwerpen. Toen keizer Hendrik III in 1056 overleed beëindigde regentes Agnes van Poitou de vijandelijkheden en kon Boudewijn zijn lenen in het Heilig Roomse Rijk behouden. In 1064 herbouwde Boudewijn de abdij van Hasnon.

Toen Boudewijn na de dood van zijn vader, Boudewijn V deze in 1067 in Vlaanderen kon opvolgen, werd het graafschap Henegouwen in een personele unie met Vlaanderen verenigd.

In 1068 stichtte Boudewijn Geraardsbergen. Al snel na zijn aantreden kreeg hij ernstige gezondheidsklachten. In 1070 regelde hij zijn opvolging op een hofdag in Oudenaarde.

Hij overleed en werd begraven in de abdij van Hasnon. Boudewijn is de geschiedenis ingegaan als een uitstekend bestuurder. In zowel Henegouwen als Vlaanderen werd hij opgevolgd door zijn vijftienjarige zoon Arnulf, totdat deze verslagen werd in de Slag bij Kassel (1071) en Boudewijns broer, Robrecht I de Fries de macht in Vlaanderen overnam.

Boudewijn en Richilde kregen de volgende kinderen:

  • Arnulf III de Ongelukkige.
  • Boudewijn, graaf van Henegouwen (als Boudewijn II van Henegouwen)  van 1071 tot 1098.
  • Mogelijk Gilbert van Gent, gehuwd met Alice de Montfort.

Door Eric