Machteld van Brabant

De echtgenote van Floris IV, Machteld, stamde van een eeuwenoud geslacht van hertogen, graven en heren uit België, Duitsland en Frankrijk. Haar vader was Hendrik I van Brabant, de zoon van Godfried III “De moedige” van Leuven, de zoon van Godfried II “De jonge” van Leuven, de zoon van Godfried I “Godfried met den Baard” van Leuven, de zoon van Hendrik II van Leuven, de zoon van Lambert II “Balderik” van Leuven, de zoon van Lambert I “Met den Baard” van Leuven.

Lambert I van Leuven

(ca  950 – 12 september 1015, Florennes, Namen) Bijgenaamd “met de Baard”.  Lambert I was de oudste met zekerheid bekende graaf van Leuven en stamvader van de Leuvense gravendynastie.

Hij was een zoon van Reinier III van Henegouwen en Adela van Leuven. Samen met zijn broer Reinier zou hij door aartsbisschop Bruno de Grote verbannen zijn geweest. Na de dood van keizer Otto I keerden ze terug om het kasteel van “Bussud”  te belegeren, maar werden verslagen en opnieuw verbannen door keizer Otto II. In 973 zouden beide broers zijn teruggekeerd om Werner en Reinout, die hun vaders land in bezit hadden genomen, te bestrijden en te doden. In 976 deden Reinier en Lambert een tweede poging om hun bezittingen te heroveren. Ze werden op 19 april 976 verslagen bij Bergen maar kregen toen wel hun graafschappen van de koning terug. Lambert werd graaf van Leuven. Ook uit een andere bron weten we dat in 977 de zonen van Reinier III terug waren in hun vaderland.
In 1003 wordt Lambert voor het eerst vermeld als graaf van Leuven, ter gelegenheid van zijn aanduiding als voogd over de abdij van Nijvel. Hij verwierf ook de voogdij over de abdij van Gembloers. Door dit voogdijschap moest hij instaan voor de bescherming van de abdijen, maar anderzijds verkreeg hij ook de territoriale controle over de uitgestrekte abdijdomeinen.

In 1007 wordt vermeld dat graaf Lambert terug in de gratie is gekomen bij keizer Hendrik II.  Door Lamberts huwelijk met Gerberga, dochter van hertog Karel van Lotharingen, kwam hij in het bezit van het graafschap Brussel.  De toewijzing van het hertogdom Lotharingen aan Godfried I van Verdun bracht Lambert openlijk met de graven van de Ardennen in conflict. Dit gaf aanleiding tot de Slag bij Florennes (1015), waar Lambert I sneuvelde.

Uit zijn huwelijk met Gerberga van Neder-Lotharingen ontsproten vier kinderen:

  • Hendrik I van Leuven, oudste zoon en opvolger van Lambert I.
  • Lambert II Balderik van Leuven, gehuwd met Oda van Verdun.
  • Reinier van Leuven, gehuwd met een dochter van Boudewijn IV van Vlaanderen.
  • Mathilde van Boulogne, gehuwd met Eustaas I van Boulogne.

Lambert II van Leuven

ca. 995 – 19 juni 1054, Doornik) Bijgenaamd Balderik.  Graaf van Leuven en van Brussel. Lambert II was de tweede zoon van Lambert I en Gerberga van Neder-Lotharingen. Hij volgde volgde zijn broer Hendrik I op en wordt voor het eerst vermeld als graaf van Leuven op 3 januari 1041. Hij was ook graaf van Brussel en voogd over de abdij van Nijvel en de abdij van Gembloers.

Op 16 november 1047 stichtte Lambert II samen met zijn echtgenote Oda van Verdun het Sint-Goedelekapittel in de Sint-Michielskerk te Brussel, waarheen hij de relieken van de heilige Goedele van Brussel liet overbrengen.

Hij sloot zich in 1051 aan bij de opstand van Boudewijn V van Vlaanderen tegen keizer Hendrik III. In een treffen met het keizerlijk leger sneuvelde hij bij Doornik in 1054. Hij werd begraven in de abdijkerk van Nijvel, waar hij in het necrologium herdacht wordt op 19 juni. Hij werd opgevolgd door zijn zoon Hendrik II.

Lambert was gehuwd met  Oda van Neder-Lotharingen hadden onder anderen de volgende kinderen:

  • Hendrik II van Leuven.
  • Reinier  van Leuven (gesneuveld in Haspengouw in 1077).
  • Gerberga van Leuven (vermeld circa 1100 samen met haar zoon Hendrik, schenkster van eigengoed te Bollebeek aan de abdij van Vorst).

Hendrik II van Leuven

(ca. 1020 – begraven te Nijvel in 1078) was graaf van Leuven en Brussel van 1054 tot 1078. Hij was zoon van Lambert II Balderik, graaf van Leuven en Brussel, en diens echtgenote Oda van Verdun. Zijn naam verschijnt naast die van zijn broer Reinier in een akte van 1078 voor het kapittel van Brussel.

Er is weinig bekend over zijn heerschappij, maar men weet dat hij in 1071 steun verleende aan Richilde van Henegouwen tegen haar zwager Robrecht I de Fries in het geschil om het graafschap Vlaanderen. Zijn dochter is nadien dan ook uitgehuwelijkt aan de tweede zoon van Richilde.

Hij huwde Adela (ca. 1040 – na 1086), dochter van Everhard van Teisterbant, graaf van Teisterbant en de Betuwe. Zij hadden als kinderen:

  • Hendrik III (ca 1063-1095), graaf van Leuven en Brussel, landgraaf van Brabant vanaf 1085/1086.
  • Godfried I (1060-1139), graaf van Leuven en Brussel, landgraaf van Brabant en hertog van Neder-Lotharingen Ida (1077-1139), in 1084 gehuwd met Boudewijn II († 1098), graaf van Henegouwen.
  • Alberon (1070-1128), prins-bisschop van Luik.
     

Godfried I van Leuven

(ca. 1063 – 25 januari 1139) Hij was de grondlegger van het latere Hertogdom Brabant. Hij was de zoon van graaf Hendrik II van Leuven en Adela van Betuwe. In 1078 werd hij op aanbeveling van de (aanverwante) markgraaf van Thuringen, Egbert II van Braunschweig, voor een ridderopleiding naar het keizerlijk hof gestuurd. Hieruit wordt afgeleid dat Godfried omstreeks 1063 moet geboren zijn (meerderjarigheid naar Ripuarisch gewoonterecht op 15 jaar).

Bij de dood van zijn broer Hendrik III van Leuven, in februari of maart 1095, volgde hij deze op als graaf van Leuven en landgraaf van Brabant, en voogd van Nijvel en Gembloers. Hij zou kort daarop in conflict komen met Otbert van Luik, de prinsbisschop van Luik, over het graafschap Bruningerode. In 1099 bemiddelde Godfried in het conflict tussen Hendrik III van Luxemburg en Arnold I van Loon over de benoeming van de abt van Sint Truiden. In 1102 hield hij een inval van Robrecht II van Vlaanderen tegen bij Kamerijk.

Hertog Hendrik I van Limburg van Neder-Lotha-ringen was een trouwe vazal van keizer Hendrik IV. Toen Hendrik V zijn vader afzette, bood hertog Hendrik onderdak aan Hendrik IV. Uiteindelijk verloor Hendrik daardoor zijn hertogstitel en op 13 mei 1106 werd Godfried benoemd tot hertog van Neder-Lotharingen (als Godfried V) en markgraaf van Antwerpen.

Godfried was van 1114 tot 1119 zelf tegenstander van de keizer maar verzoende zich daarna weer met hem. In 1122 belegerde hij samen met keizer Hendrik V de opstandige Gosewijn I van Valkenburg en verwoestte zijn kasteel Valkenburg. In 1123 werd zijn broer Alberon I van Leuven benoemd tot bisschop van Luik. In 1128 betaalde Godfried de prijs voor zijn steun in 1125 aan de ‘verkeerde’ koningskandidaat, en verloor zijn functie als hertog van Neder-Lotharingen (hij werd vervangen door Walram I ‘Paganus’ van Limburg). Godfried behield echter het markgraafschap Antwerpen en de hertogstitel. Zo ontstond het hertogdom Brabant.

Godfried steunde in 1129 de pogingen van graaf Giselbert van Duras om goederen van de abdij van Sint Truiden in bezit te krijgen. Dit leidde op 7 augustus 1129 tot de slag bij Wilderen. Giselbert van Duras met zijn Vlaamse en Brabantse bondgenoten werd daar verslagen door de abt van Sint Truiden, die werd gesteund door de bisschoppen van Metz en Luik, en de graven van Limburg en van Loon. In 1131 werd een vrede bemiddeld in dit conflict.

Godfried is begraven in de abdij van Affligem. Na zijn dood braken binnen Brabant de Grimbergse Oorlogen uit.

Godfried was in zijn eerste huwelijk getrouwd met Ida van Chiny (1078-1117). Zij was een dochter van graaf Otto II van Chiny en van Adelheid van Namen.

Zij kregen de volgende kinderen:

  • Godfried II.
  • Hendrik, monnik in Affligem.
  • Adelheid (-1151), gehuwd met koning Hendrik I van Engeland en met Willem van Aubigny.
  • Ida, gehuwd met Arnold I van Kleef.
  • Clarissa (-1140).

Godfried hertrouwde met Clementia van Bourgondië, weduwe van Robrecht II van Vlaanderen. Zij kregen geen kinderen.

Godfried had een zoon bij een onbekende vrouw: Joscelin.

Godfried II van Leuven

ca.1105 – 13 juni 1142) Bijgenaamd de Jonge was landgraaf van Brabant en (als Godfried VI) hertog van Neder-Lotharingen. Godfried was de oudste zoon van Godfried I van Leuven en Ida van Namen. Hij werd voor het eerst vermeld in 1131 toen hij een schenking deed aan de abdij van Gembloers. Vanaf 1136 nam hij bestuurstaken van zijn oude vader over.

Zijn vader, Godfried I was landgraaf van Brabant en markgraaf van Antwerpen en noemde zich hertog, omdat hij een aantal jaren hertog van Neder-Lotharingen was geweest. Bij het overlijden van zijn vader in januari 1139 verwierf Godfried II Brabant, en verviel het markgraafschap Antwerpen aan de regerende hertog van Neder-Lotharingen, Walram II van Limburg.

Maar Walram overleed kort daarop in juli 1139 en zowel Godfried als Hendrik II van Limburg, zoon van Walram, eisten nu de functie van hertog van Neder-Lotharingen op. Keizer Koenraad III van Hohenstaufen stelde een compromis voor waarbij het hertogdom in twee nieuwe hertogdommen zou worden gesplitst: Godfried zou dan het westelijke deel krijgen en Hendrik het oostelijke deel. De onderhandelingen mislukten en Godfried versloeg Hendrik in een korte veldtocht, en bezette Sint-Truiden en Aken. Zo verwierf Godfried zowel het hertogdom Neder-Lotharingen als het markgraafschap Antwerpen. Hendrik bleef zich echter ook hertog noemen. Hiermee waren de hertogdommen Brabant en Limburg ontstaan.

Het geslacht Berthout weigerde in het roerige jaar 1139 om Godfried als hertog te erkennen. Hierdoor braken de Grimbergse Oorlogen uit. Godfried overleed aan een leverziekte en werd begraven in de Sint-Pieterskerk (Leuven).

Godfried was gehuwd met Lutgardis van Sulzbach. Ze hadden een zoon:

Godfried III van Leuven

(ca. 1140 – 21 augustus 1190) Bijgenaamd “de Moedige” en “de Hertog in de Wieg”, was van 1142 tot aan zijn dood in 1190 landgraaf van Brabant, graaf van Leuven, markgraaf van Antwerpen en voogd van Gembloers, Nijvel en Affligem. Tevens was hij hertog van Neder-Lotharingen (als Godfried VII).

Godfried volgde zijn vader Godfried II van Leuven op zeer jonge leeftijd op (vanwaar de bijnaam Dux in cunis, “de hertog in de wieg”), onder regentschap van zijn moeder Lutgardis van Sulz-bach. Voor het geslacht Berthout was dit aanleiding om meer onafhankelijkheid te zoeken (Grimbergse Oorlogen). In 1147 was Godfried in Aken aanwezig bij de kroning van Hendrik Berengarius tot medekoning van Duitsland. In 1153 bezocht hij het keizerlijke hof.

Godfried trouwde in 1155 met Margaretha van Limburg om het langdurige conflict van zijn vader en grootvader met het huis van Limburg te beëindigen. Margaretha van Limburg (1135 – 1172) was een dochter van Hendrik II van Limburg en van Mathidis van Saffenburg.

In 1159 liet hij de motte van Grimbergen afbranden en beëindigde daarmee een periode van twintig jaar opstand door het huis Berthout. Hij verwierf het voogdijschap van Tongerlo en de graafschappen Aarschot (vóór 1179), Geldenaken (1184) en Duras (1189). Op rijksniveau steunde Godfried keizer Frederik I van Hohenstaufen met troepen voor zijn Italiaanse campagnes. Verder hield hij zich vooral bezig met het versterken van zijn rol als hertog van Neder-Lotharingen. Zo steunde hij in 1166 de Vlaamse expeditie tegen Floris III van Holland die inbreuk had gemaakt op de Vlaamse rechten. In 1172 moest hij echter een gevoelige nederlaag incasseren tegen Boudewijn V van Henegouwen. Godfried bevorderde de ontwikkeling van steden en gaf stadsrechten aan ‘s-Hertogenbosch.

Van 1182 tot 1184 bezocht Godfried Jeruzalem. Hij onderscheidde zich bij de verdediging van de stad tegen Saladin (1183/1184). Als eerbetoon daarvoor werd Godfrieds zoon, Hendrik I van Brabant, door keizer Frederik I in het landgraafschap Brabant tot hertog verheven. Godfried en Margaretha zijn begraven in de Sint-Pieterskerk (Leuven).

Godfried en Margaretha kregen de volgende kinderen:

  • Hendrik I van Brabant, opvolger van zijn vader Albert van Leuven, bisschop van Luik en heilige.
  • Na de dood van Margaretha in 1172, hertrouwde Godfried in 1180 met Imagina van Loon. Zij kregen de volgende kinderen:
  • Willem, heer van Perwijs en Ruisbroek (Vlaams-Brabant).
  • Godfried.

Hendrik I van Brabant

(ca.1165 te Leuven – 5 september 1235 te Keulen.) Hij was hertog van Brabant vanaf 1183 en hertog van Neder-Lotharingen vanaf 1190. Hendrik I was de zoon en erfopvolger van Godfried III van Leuven. In zijn beleid streefde hij naar een uitbreiding van zijn heerschappij over het grondgebied tussen Schelde en Rijn en de beheersing van de handelsweg van Brugge naar Keulen. Hij slaagde er niet in het hertogelijk gezag in Neder-Lotharingen te herstellen. Niettemin wist hij zich een machtspositie te veroveren door in de strijd tussen de Welfen en de Hohenstaufen voortdurend van kamp te wisselen.

Hendrik kreeg vanaf 1172 bestuurlijke taken van zijn vader. Toen hij in 1179 trouwde kreeg Hendrik het graafschap Brussel (deel van de Brabantgouw) van zijn vader Godfried. Toen zijn vader van 1182 tot 1184 in het Heilige Land verbleef, trad Hendrik op als regent. Als compensatie voor de verdediging van Jeruzalem tegen de inval van de Egyptische sultan Saladin (1183/1184) werd de zoon van Godfried III, Hendrik I door keizer Frederik Barbarossa in het landgraafschap Brabant tot eerste hertog van Brabant en Neder-Lotharingen verheven.

Hendrik nam deel aan de Derde Kruistocht (1189-1192) en was bevelhebber bij de belegeringen van Sidon en Beiroet. Hij zag echter af van een beleg van Jaffa na het nieuws van de dood van koning Hendrik II van Jeruzalem. In 1190 volgde hij zijn vader op als graaf van Leuven en markgraaf van Antwerpen. In 1191 liet hij zijn broer Albert benoemen tot bisschop van Luik.

In 1192 verleende Hendrik als hertog van Brabant een vrijheidskeureaan de stad Vilvoorde om zich te verzekeren van de steun van de bewoners in de conflicten met het machtige graafschap Vlaanderen.

Toen zijn broer in datzelfde jaar vermoord werd, hield Hendrik de Duitse keizer Hendrik VI verantwoordelijk en werd hij een van de leiders van de opstanden tegen de keizer. Er volgde een periode van onrust en lokale conflicten, en nog in 1199 wist Hendrik de kroning van de volgende Duitse koning (Filips van Zwaben, broer van de overleden koning) te Aken te voorkomen. Hendrik sloot in 1204 vrede met Filips van Zwaben en werd beloond met de voogdij over de abdij van Nijvel en het kapittel van Sint-Servaas, het medebestuur over Maastricht en het recht zijn hertogdom aan een vrouwelijke erfgenaam na te laten (Hendrik had in 1204 alleen nog dochters).

Koning Filips II van Frankrijk wilde Hendrik in 1208 steunen om zelf koning van Duitsland te worden, maar Hendrik koos ervoor om de kandidatuur van Otto van Brunswijk te steunen. In 1212 kwam Hendrik in conflict met de bisschop van Luik over de opvolging van het graafschap Moha. Hendrik verwoestte de stad Luik in 1212 maar werd in 1213 verslagen in Steps. In 1214 was Hendrik verplicht om mee te vechten in de Slag bij Bouvines tegen zijn persoonlijke vriend Filips II van Frankrijk. Direct na de slag verzoende hij zich weer met Filips.

In 1229 kreeg Brussel stadsrechten van Hendrik I. Onder zijn toezien wordt gestart met de bouw van de kathedraal van Sint-Michiels en Sint-Goedele. In hetzelfde jaar gaf hij zijn aanspraken op Moha op. Keizer Frederik II van Hohenstaufen gaf Hendrik in 1235 de eervolle opdracht om naar Engeland te reizen en zijn verloofde Isabella Plantagenet op te halen, maar Hendrik werd ziek en overleed in Keulen.

Volgens de overlevering heeft hertog Hendrik I in 1185 de stad ‘s-Hertogenbosch gesticht. Zijn praalgraf is te vinden in de Leuvense Sint-Pieterskerk, alsook dat van Mathilde van Boulogne en zijn dochter Maria van Brabant.

Hendrik I was tweemaal gehuwd. Hendriks eerste huwelijk was met Mathilde van Boulogne. Geboren 1161/1165, overleden op 16 oktober 1210 te Leuven. Mathilde was een dochter van Maria van Engeland, gravin van Boulogne (Marie de Blois) en Mattheüs I van de Elzas, door huwelijk graaf van Boulogne (Matthias I).

Zij kregen de volgende kinderen:

  • Maria van Brabant,
  • Margaretha van Brabant,
  • Adelheid van Brabant,
  • Machteld van Brabant, (de echtgenote van Floris IV van Holland),
  • Hendrik II van Brabant,
  • Godfried van Leuven-Gaasbeek.
  • Maria, jong overleden.

Machteld van Brabant 

(ca.1200 – 1267) was een dochter van hertog Hendrik I van Brabant en Mathilde van Boulogne. In 1212 trouwde zij met Hendrik VI van Brunswijk, de Welfische paltsgraaf van de Rijnpalts, die in 1214 overleed. Dit huwelijk was kinderloos.

In 1224 trouwde zij met graaf Floris IV. Uit dit huwelijk werden de volgende kinderen geboren:

  • Willem II, opvolger van zijn vader, (tegen)koning van Duitsland
  • Floris de Voogd, regent van Holland
  • Aleid van Holland, gehuwd met Jan van Avesnes, regentes van Holland na overlijden van Floris
  • Margaretha, gehuwd met Herman I van Henneberg-Coburg (1224-1290)

Na de dood van Floris IV in 1234 kwam ze in conflict met haar zwager Willem over het regentschap. In 1235 werd met hulp van de aartsbisschop van Keulen een regeling getroffen waarbij Willem regent van Holland werd.

Na de meerderjarigheid van haar zoon Willem II trok zij zich terug op haar bezittingen in het Westland. Ze woonde in ‘s-Gravenzande en gaf die plaats stadsrechten. Ze stichtte daar ook een kerk en begijnhof. Machteld werd begraven in het cisterciënzer klooster in Loosduinen, dat zij in 1230 samen met haar man had gesticht. Dit ondanks dat ze in een akte van 1244 had aangegeven dat zij en haar dochters in de abdij van Affligem moesten worden begraven.

Adelheid Van Holland

(ca. 1228 — Dordrecht, 1284), ook bekend als Aleid(a) van Avesnes, was gravin van Henegouwen en regentes van Holland. Zij speelde een belangrijke rol in de geschiedenis van Schiedam als stad en de ontwikkeling van Holland.

Adelheid (Aleid) was een dochter van Floris IV van Holland en Machteld van Brabant. Er werd een huwelijksovereenkomst gesloten met Jan van Avesnes zodat een bondgenootschap van haar broer Willem II van Holland met het Huis Avesnes tot stand kwam. Aleid en Jan trouwden op 9 oktober 1246. Als onderdeel van het afsprakenpakket droeg Willem II zijn leengoed van de koningen van Schotland aan Aleid over. Willem II was goed in het knopen van dergelijke bondgenootschappen en bracht het mede door financiële ondersteuning aan de Rooms-Katholieke kerk uiteindelijk tot rooms-koning.

Na de dood van Jan (1257) werd ze regentes van Henegouwen voor haar zoon Jan II van Avesnes. Na de dood van haar broers Willem, in 1256 en Floris de Voogd in 1258, wierp ze zich op als regentes van Holland (“tutrix Hollandie”) voor Floris V van Holland.

Aleid vestigde zich in Holland. Zij kocht in 1258 de polder Nuwer Scye (Nieuwe Schie) van Dirk Bokel, ter hoogte van het huidige Schiedam (het gebied tussen Hoogstraat, Boterstraat en Broersvest). De aankoop van deze polder was aantrekkelijk, omdat ten tijde van het bewind van Aleid de aanleg van het westelijk gedeelte van de huidige Schielands Hoge Zeedijk (ongeveer vanaf Kralingen naar het westen) zijn voltooiing naderde. Dit werk was in 1250 begonnen op initiatief van haar broer Willem II van Holland. Na zijn dood in 1256 werd het werk onder het bestuur van Aleid voltooid. Het gebied rondom Schiedam was zo beter beschermd tegen het water.

Om voldoende steun en strijdkrachten onder de Hollandse adel te winnen stelde ze hertog Hendrik III van Brabant aan als mede-regent. Toen deze in 1261 overleed, wendde een aantal edelen zich tot hertog Otto II van Gelre met het verzoek om in te grijpen. Toen deze met een leger in Dordrecht arriveerde, had Aleid zich met haar leger teruggetrokken op Zuid-Beveland. Daar vond een gewapend treffen plaats, waarin Aleid werd verslagen. Ze moest het graafschap verlaten.

Door Eric