Catharina Maria Sterzenbach (1820-1899) was een Zeeuwse voor-grootmoeder van Lies Fritz. Van oorsprong was de familie Sterzenbach een joodse familie uit Duitsland.
Het eerste authentieke document dat verwijst naar een goed georganiseerde Joodse gemeenschap in Duitsland dateert uit 321 n.C. en verwijst naar een gemeenschap in Keulen. Het document gaf aan dat de status van de Joden dezelfde was als die van andere Joden in het Romeinse Rijk. Ze genoten enkele burgerlijke vrijheden, maar mochten hun geloof niet verspreiden en mochten geen christelijke slaven houden. De Joden mochten wel beroepen uitoefenen die hun stadsgenoten ook mochten uitoefenen, meestal was dit in landbouw, handel, industrie en voornamelijk geld lenen.
Karel de Grote gebruikte de Kerk om eenheid te vormen in zijn grote rijk. Hij stelde Joden te werk voor diplomatieke doeleinden. Het leven voor de Joden veranderde al in deze tijd. In tegenstelling tot de Franken, die in deze tumultueuze tijden ten oorlog moesten trekken, hoefden de Joden geen legerdienst te doen. Ze hielden zich voornamelijk bezig met handel en kregen een monopolie in het lenen van geld omdat de Kerk aan christenen verbood om een woekeraar te zijn. Dit decreet zorgde voor een gemengde reactie bij het volk in het Frankische Rijk: de Joden werden overal zowel gezocht als gemeden. Deze combinatie van omstandigheden zorgde ervoor dat de Joden nog meer invloed kregen en ze verspreidden zich meer en meer. De status van de Joden bleef onveranderd onder het bewind van Lodewijk de Vrome, de zoon van Karel de Grote. Joden mochten onbeperkt handel voeren, maar moesten wel hogere belastingen betalen dan de christenen. Een speciale officier, de Judenmeister, werd door de regering aangesteld om de privileges van de Joden te beschermen.

Tijdens de Eerste Kruistocht begon een periode van wreedheden tegen Joden in Duitsland. De Duitsers die ten strijde trokken tegen het andere geloof keerden zich in eerste instantie tegen de Joden. Hele gemeenschappen in Trier, Speyer, Worms, Mainz en Keulen werden afgeslacht. Zo’n 12.000 Joden werden gedood in deze Rijnsteden. Deze uitbarsting beïnvloedde de status van de Joden in de volgende eeuwen. De christenen stelden dat de Joden hun lot verdiend hadden. Vele misdaden werden in de schoenen van Joden geschoven en ze kregen zelfs de schuld van de Mongoolse invasie van Europa, hoewel ze daar evenveel onder leden als de christenen. Toen de Pest Europa bedreigde in 1348 en 1349, werden Joden ervan beschuldigd de ziekte te verspreiden. Dit leidde tot de moord op vele Joden.
De status van de Joden veranderde opnieuw onder de keizers van het Heilige Roomse Rijk. Zij zagen het als hun plicht om de Joden te beschermen, maar deden het meer om hogere belastingen te heffen dan om de Joden te beschermen.
Er bestond een grote verscheidenheid aan belastingen. Keizer Lodewijk de Beier bedacht vele nieuwe belastingen. In 1342 besloot hij dat alle Joden voor elke gulden die ze bezaten een Kreutzer moesten betalen aan de keizer, en dit boven op de belastingen die ze reeds betaalden. De keizers van het Huis Luxemburg deden het op een nog andere manier. Zij verkochten het voorrecht om belastingen te heffen over de Joden tegen hoge prijzen aan prinsen en vrije steden. Keizer Karel IV gaf dit privilege, via de Gouden Bul, aan de zeven keurvorsten toen het keizerrijk gereorganiseerd werd in 1356.
De 15e eeuw bracht weinig verbetering. Wat zich afspeelde ten tijde van de Kruistochten herhaalde zich nu. Het einde van de 15de eeuw werd een nieuw tijdperk voor de christenen, maar niet voor de Joden. Ze bleven de slachtoffers van religieuze haat. In de 16e en 17e eeuw veranderde er weinig voor de Joden. Ze werden nog steeds uitgebuit door de prinsen en de vrije steden, zowel in katholieke als protestante landen. De Duitse keizers konden hen niet altijd beschermen, ook al wilden ze dat wel. Tijdens de Dertigjarige Oorlog waren de Joden een prooi voor beide strijdende partijen. Keizer Ferdinand I verbande de Joden uit Neder-Oostenrijk en Görz. Hij zwoer ook de Joden uit Bohemen te verbannen, maar daar stak Mordecai Cohen een stokje voor. Hij vroeg aan de Paus om de keizer van zijn eed te doen afzien. Keizer Leopold I verbande in 1670 de Joden uit Wenen en het hele aartshertogdom Oostenrijk. De uitgestotenen vluchtten naar het Markgraafschap Brandenburg. De keurvorst Frederik Willem (1620-1688) tolereerde andere religieuze overtuigingen en beschermde de Joden.

Joachim Sterzenbach
In die tijd leefden stamvader Joachim Sterzenbach en zijn echtgenote Helena Schäfer in Waibstadt, Baden-Württemberg, Duitsland. Van Joachim is verder niets bekend. Helena is overleden op 9 november 1678.
Zij hadden zeker een zoon:
Johann Adam Sterzenbach
Geboren in Waibstadt op 15 augustus 1630. Op 25 Januari 1655 trouwde Johann met Elisabetha Conrad (1630-18 juni 1694). De familie Conrad/Conrat heeft een lange traditie in Waibstadt en was reeds in 1530 bekend in Waibstadt. In 1530 hebben de voorouders van Elisabetha omschrijvingen als “Lantschad” en “Hirschhorn” . Dit zijn mogelijke verwijzingen naar middeleeuwse burchten/adellijke afkomst.
Zij waren de ouders van:
Sebastian Sterzenbach
In 1660 geboren in Waibstadt, overleden op 1 februari 1813. Op 25 januari 1695 trouwde hij met Maria Dorothea Bockwitz (geboren in 1677, Saint Ilgen, Heidelberg).
Zij waren de ouders van:
- Anna Maria
- Anna Catharina
- Anna Margaretha
- Maria Eva
- Georg Philipp
Georg Philipp Sterzenbach
Geboren op 10 maart 1702 in Weibstadt, overleden op 3 juni 1734 te St. Ilgen. Op 12 februari 1727 trouwde Georg met Anna Maria Hauerwas (14 februari 1706, Leimen – 1758).
Zij waren de ouders van:
- Johan Michael Nicolaus
- Margaretha
- Johann Adam
Johann Adam Sterzenbach
Geboren op 25 januari 1733 in Heidelberg, overleden op 14 januari 1803 in St. Ilgen. Op 10 juli 1758 trouwde hij in Neibsheim met Maria Catherina Gerbick (21 november 1732, Neibsheim – 5 augustus 1790, St. Ilgen).
Zij waren de ouders van:
- Eva Barbara
- Christian
- Maria Susanna
- Joseph Lorenz
- Anna Margaretha
- Johannes

Johannes Sterzenbach
Geboren op 13 september 1767, Heidelberg, overleden 27 april 1833, Vlissingen. Hij was meester-Smid van beroep en trouwde op 5 mei 1793 in Middelburg met Catharina de Schotte (25 maart 1767, Vlissingen – 14 oktober 1841, Vlissingen).
Johannes en Catharina waren de ouders van:
- Johannes Jacobus
- Jacobus Franciscus
- Catharina
- Petrus Sterzenbach
Johannes Jacobus Sterzenbach
Geboren 17 juni 1794 in Middelburg, overleden op 18 april 1842. Hij trouwde op 1 november 1815 met Maria Agnes Henrica van Basel (2 november 1791, Roermond – 18 oktober 1870, Vlissingen)
Johannes is in het bezit geweest van een eigen woonhuis/smederij te Vlissingen.
In 1816 was hij ingeschreven bij de Nationale Militie gemeente Vlissingen (Militiedistrict Middelburg). Ook in 1817 ingeschreven bij de Nationale Militie gemeente Vlissingen. Hij was reeds gehuwd, maar nog woonachtig op het adres van zijn ouders.
Johannes werd 2e Smid op z.m. Korvet van Oorlog Boreas. Hij overleed in 1842 in Nederlands Oost-Indie aan boord van korvet de Boreas, zeilende in de Indische archipel.

Johannes en Maria waren de ouders van:
- Johannes Lambertus
- Catharina Francisca
- Petrus Johannes
- Catharina Maria
- Jacobus Franciscus
- Pietronella Johanna
- Lambertus Hendricus
- Cornelis Franciscus Idesbaldus
- Johannes Baptistus
- Johanna Maria
- Maria Catharina
Catharina Maria Sterzenbach
Geboren op 20 april 1820, Vlissingen, overleden op 25 mei 1899, Amsterdam. Zij trouwde met schoenmaker Bruno Johannes Belderok (12 juni 1821, Vlissingen – 27 februari 1906, Amsterdam).

Zij werden de overgrootouders van Lies Fritz.