De naam Jutphaes werd voor het eerst vermeld in een acte uit 1165. Daarin verzocht de bisschop van Utrecht, Godfried van Rhenen (?-1178), aan Frederik I (1122-1190), bijgenaamd Barbarossa, om maatregelen tegen de enorme wateroverlast. In deze acte was sprake van een kerspel Judefax (woongemeenschap met eigen kerk). Dirk van Jutfaes (Theodoricus de Judefax, ambachtsheer van Jutfaes) was een van de mede-ondertekenaars.

De kern van het vroegere Jutphaes werd gevormd door de heerlijkheden van het Nedereind en het Overeind. Jutphaes lag in het Nedereind. Het omvatte enkele tientallen huizen langs de Vaartse Rijn (nu Merwedekanaal) en de weg naar Utrecht, die daaraan evenwijdig liep. Een tweede groep huizen lag aan het Kerkveld, dat zeer oud is. Aan te nemen is dat op deze natuurlijke verhoging eerdergenoemde kerk heeft gestaan. Zij was waarschijnlijk toegewijd aan de H. Martinus, patroon van het Frankenland, tevens patroon van de Utrechtse moederkerk. Omstreeks 1217 werd de H. Nicolaas als patroon van de Jutphase kerk genoemd. Aan het Kerkveld kwam ook het rechthuis te staan. Het zwaartepunt van het dorp heeft zich echter in de loop der eeuwen verlegd naar de oever van de Vaartse Rijn (nu Merwedekanaal). Jutphaes is in de loop der tijden op vele manieren geschreven: Iutfaes, Judefaes, Judifas, Judifax, Judefax, Jutfaes, Jutfais en Jutfaas.

De Tolsteegpoort bevond zich aan de zuidkant van Utrecht. Deze stad had een aantal buitendorpen; een daarvan was “Buiten Tolsteeg”. Het gerecht Tolsteeg had een eigen schout en een eigen bestuur, zoals trouwens iedere buurt. Men had de zorg voor straatreiniging en straat- verlichting, brand- en nachtwacht, uitdiepen der grachten, onderhoud van goten, etc. Periodiek hield men buurmaaltijden.
De “buitenburgers” woonden buiten de poorten, maar nog binnen de stadsvrijheid. De bewoners van de Tolsteeg zijn in meerderheid katholiek gebleven. Er woonden veel hoveniers, maar ook veel buitenlanders, Duitsers, die als vreemdelingen niet in de stad mochten wonen. Men vestigde zich al gauw voor een van de hoofdingangen van de stad. Ook gelukszoekers en zwervers gingen daar wonen. Zo werden de Tolstegers een aparte bevolkingsgroep.
In april 1577 vond er een gevecht plaats tussen de Spaanse bezetting van Vredenburch en de Utrechtse burgers. De Duitse hulptroepen van de Spanjaarden staken alle huizen in de Tolsteeg en de Gansstraat aan.
In 1646 werd buiten Utrecht een wolvenjacht gehouden, omdat er zoveel van deze dieren waren dat er van een plaag kon worden gesproken.
Meestal ging men in die tijd vanuit de provincies hun heil zoeken in de bloeiende stad Amsterdam. In dit geval ging de stamvader van de stamreeks van Amsterdam naar de provincie.
Willem Hendricksz de With
Geboren in Amsterdam, overleden op 10 september 1683 in Utrecht. Hij was de zoon van Hendrick, die rond 1550 moet zijn geboren in Amsterdam. Zijn moeder heette Beelke van Varick. Maar meer is er over zijn ouders niet bekend.
Willem was houtkoper van beroep, aan de Vaert in Jutfaes. Hij deed dat in firma met zoon Lodewijck tot 1658. Op 13 juli van dat jaar werd het bedrijf verkocht. Het is niet bekend wie de moeder van Lodewijck was. Willem is op 19 februari 1626 met haar getrouwd in Vreeswijk.
Op 19 december 1658 trouwde Willem in Echteld, Gelderland met de zeker twintig jaar jongere Aeltjen Belia van Wely (1836-1689). Zij gingen ‘buiten de Tolsteegpoort’ in Utrecht wonen. Zij kregen 5 kinderen:
- Johannus de With (1659)
- Dirck de With (1661)
- Johanna de With (1663)
- Jacobus de With (1665)
- Alida de With (1667)
Willem bezat ook grond op Hoograven, volgens een notariële akte:
Akte verleden voor het Hof van Utrecht, waarbij Willem de With, houtkoper aan de Vaart, een hypotheek ten bedrage van 4000 gulden vestigt op zijn Rhijnakker gelegen op Hoograven en zijn huis buiten Tollesteegh, tot zekerheid van de borgstelling verleend door Gerrit de With, houtkoper te Wezel, voor genoemde Willem de With ten behoeve van Olofen de With, 1669.
Jacobus de Wit
Hij is geboren op 19 maart 1665 ‘buiten de Tollesteeghpoort’ in Utrecht, overleden op 17 juli 1723. Op 26 april 1689 trouwde Jacobus met Aletta van der Sluijs (1665-1719).
Hun kinderen waren:
- Peter de Wit
- Cornelis de Wit
- Catharina Maria de Wit
- Henricus De Wit
Catharina Maria de Wit
Geboren 24 november 1692, overleden rond maart 1738 te Utrecht.

Zij trouwde op 18 mei 1720 met Timmermansknecht Petrus (Pieter) Lancee. Zij gingen wonen in Pieters grootouderlijk huis aan het Croonspoortje agter Clarenburgh te Utrecht.

Catharina en Pieter kregen de volgende kinderen:
- Lambertus Lancé 1721-1782
- Jacobus Lancé 1723-1801
- Adolphus Lancé 1725-1729
- Joannes Lancé 1728-1803
- Onbekend 1729-1729
- Aletta Lancé 1730-1752
- Anna Lancé 1732-????
- Cornelis Lancé 1747-1747
Toen Catharina overleed, liet zij minderjarige kinderen na. Voor de kinderen moest daarom een voogd worden aangesteld.
“Den 19 September 1738.Pieter Lansee ter Momboircamer ontboden sijnde tot het presenteeren van een voogd over sijn onmondige nagelaten kinderen aen Catharina de Wit sijn overleeden huijsvr(ouw) in egte verweckt met naemen Lambertus, Jacobus, Jan, Aletta en Annigje Lansee verclaerde tot voogdesse versogt te hebben der kinderen grootmoeder Paternel Annigje van Loenen wed(uwe) van Lambertus Lansee, die meede comparerende verclaerde de voor(schreven) voogdije te accepteren en aen te neemen.”
